Paul Verheijen

PIETER POURBUS

Dubbelzijdig altaarstuk

Beste werk

Karel van Mander in zijn Schilderboek:
Zijn beste werk bevond zich in de Grote Kerk van Gouda: de geschiedenis van Sint-Hubertus. Het middenstuk stelde een doopplechtigheid voor, waarbij twee mensen door een bisschop werden gedoopt en twee anderen een fakkel vasthielden. De gebeurtenis vond plaats in een prachtige tempel, die perspectivisch zeer goed was geschilderd. Op de ene deur had hij een Verzoeking gemaakt, waarbij de boze geesten de heilige schatten tonen, maar hij stuurt ze weg. Op de andere deur bekoren zij hem met vrouwen. Op de buitendeuren ziet men Maria de trappen beklimmen en de Ontmoeting met Elisabet in wit en zwart. Dit werk bevindt zich nog in Delft.
Pieter Pourbus maakte het altaarstuk, dat oorspronkelijk een drieluik was, waarschijnlijk voor de Sint-Hubertusbroederschap in Gouda.
De zijluiken van dit altaarstuk zijn verloren gegaan.
Het is niet duidelijk met welke heilige de door Van Mander genoemde verzoekingsscènes met schatten en vrouwen, afgebeeld op de voorzijde van die zijluiken, in verband moet worden gebracht.
De achterzijde daarvan liet blijkbaar in grisaille Maria's presentatie in de tempel en een Visitatie zien.
Het bijzondere van dit altaarstuk is dat een anonieme kunstenaar later de achterzijde van het middenpaneel heeft beschilderd.

De doop van Eustachius (voorzijde)

Het legendarische leven van de heilige Hubertus van Luik is sterk gebaseerd op dat van Eustachius van Rome.
Het is Van Mander daarom niet echt kwalijk te nemen dat hij in dit werk van Pieter Pourbus de geschiedenis van Hubertus meent te herkennen.
De scène die Pourbus uitbeeldt toont echter de doop van Eustachius zoals die wordt beschreven in de Legenda Aurea nadat hij - toen nog Placidus geheten - tijdens de jacht een visioen van Christus heeft gehad.
Nadat Placidus zijn vrouw verteld heeft over deze verschijning, ging hij om middernacht samen met zijn vrouw en twee zonen naar de bisschop van Rome.
Die doopte alle vier cum magno gaudio, 'met grote vreugde', en gaf Placidus de naam Eustachius ('goede vrucht'), zijn vrouw Theospite ('godsgeloof'?) en de zoons Agapetus ('geliefd') en Theospitus ('godsgeloof'?).
De doopplechtigheid vindt voor het oxaal plaats in het bijzijn van veertien personen.
Bij de doopvont staat de (anonieme) bisschop van Rome in vol ornaat.
De twee knielende personen op de voorgrond zijn Eustachius en zijn vrouw die slechts gekleed zijn in een doopkleed.
Rechts achter de doopvont staan de twee zoons van wie een is afgebeeld met open mond (omdat hij zingt of spreekt?).
Naast hen staan vermoedelijk twee getuigen.
Er is overigens maar één getuige die een 'fakkel' vasthoudt; beter is het te spreken van een doopkaars.
De andere getuige leest een dooptekst voor uit een boek.
Op de voorgrond zijn vijf figuren te zien die half of geheel met de rug naar de toeschouwer gekeerd zijn weergegeven, maar wel een flink deel van het beeldvlak vullen.
Vermoedelijk zijn het portretten van prominente leden van het Hubertusgilde, hoewel van een van hen zijn gezicht niet is te zien.
Resteert nog een knielend tweetal tussen ouders en zonen, waarschijnlijk op te vatten als de vrouwen van de zonen (hun haarversieringen lijken op die van hun schoonmoeder).

De leerlooiers Crispinus en Crispinianus (achterzijde)

Waarschijnlijk werden in de Sint Janskerk op een gegeven moment diensten aan beide zijden van het altaarstuk gehouden.
Aan de achterzijde kwam dan het gilde van schoenmakers en leerlooiers samen.
De patroonheiligen van dit gilde zijn Crispinus (Crispijn) en Crispinianus.
Een ons onbekende schilder beeldde de beide broers hier af die hard aan het werk zijn de huidstroken te bewerken.
Opvallend is het ontbreken van religieuze verwijzingen.

Het Roomse Martelaarsboek herdenkt beide broers op 25 oktober als volgt:
Te Soissons in Frankrijk de heilige martelaren Crispinus en Crispinianus, adellijke Romeinen, die in de vervolging van Diocletianus onder de landvoogd Rictiovarus na gruwzame folteringen met het zwaard werden omgebracht en de martelaarskroon verwierven. Hun lichamen zijn later naar Rome overgebracht en in de kerk van San Lorenzo in Panisperna eervol begraven.
Hun legende is een voorbeeld van het ontstaan van verhalen over een koppel heiligen op grond van fantasie en associaties.
Zij zouden met andere Romeinen, zoals Quintinus van Vermand (nu Saint-Quentin) en Piatus van Doornik (Saint-Piat, te Chartres vereerd), om aan vervolging te ontsnappen naar Gallia gevlucht zijn.
Het tweetal bereikte Soissons waar zij als schoenmakers in hun onderhoud voorzagen en — de christelijke naastenliefde in woorden en daden gestalte gevend — de armen kosteloos voorzagen van schoeisel, waarvoor engelen hun elke nacht de huidstroken aanreikten.
De 'gruwzame folteringen' zijn tamelijk stereotiep: stokslagen, het gedeeltelijk afstropen van stroken huid, een poging tot verdrinking met een molensteen om de hals in de bijna dichtgevroren Aisne (maar gered door een vloed warm water), onderdompelingen in een pot kokend lood (spatten daaruit verblindden de rechter) en in een vat met kokende olie (waarbij een engel hen troostte).
Na dit alles ondergingen zij een betrekkelijk originele pijniging: men stak elzen (schoenmakerspriemen) onder de nagels van hun handen en voeten, maar de priemen vlogen eruit en troffen de beulen.
Pieter Jansz. Pourbus (circa 1523-1584)
Eustachius (vóór 1572)
Olieverf op voorzijde paneel, 132 x130 cm

Anoniem
Crispinus en Crispinianus (vóór 1572)
Olieverf op achterzijde paneel, 132 x130 cm
Gouda - Museum Gouda