Paul Verheijen

VITUS

Kookpot

Sint Vitusdans

De brede verering voor Sint Vitus blijkt uit de varianten van zijn naam – Vito of Guido in Italië, Veit in Duitsland, Vith of Guy in Frankrijk.
Historisch gezien valt er niets met zekerheid over Vitus te zeggen.
Zoals gewoonlijk heeft de Legenda Aurea daar geen probleem mee (zie onder)
Op de meeste afbeeldingen zit Vitus als knaapje in een soort kookpot waarbij zijn voedster Crescentia en zijn leraar Modestus toekijken.
Vitus werd de ideale patroon van alle ketelsmeden.
Later werd zijn naam gegeven aan de wilde dans die na eeuwen van pestepidemieën in Europa om zich heen greep.
In Duitsland begon die manie en men zag veel van de schijnbaar bezeten dansers naar de kapellen van Sint Vitus trekken om er te bidden om genezing.
Nog later werd de naam 'Sint Vitusdans' gegeven aan een afwijking (die net als de middeleeuwse dans) wordt gekenmerkt door onwillekeurige, krampachtige bewegingen van het lichaam.
Vitus is bijgevolg ook patroon van epileptici.

De kathedraal in het Hradzjin te Praag draagt zijn naam, omdat het hoofd van Vitus daar werd bewaard.
Een relieken verzamelende koning voegde er nog twee armen aan toe en tijdens de Dertigjarige Oorlog veroverde een andere koning nog enkele verspreide botjes, zodat achter het hoogaltaar van de Vituskathedraal nu een tombe staat die met gemak voor zijn graf kan doorgaan.

Modestus en Crescentia zijn in 1969 van de heiligenkalender geschrapt, maar Vitus mocht blijven staan - ook als een van de veertien noodhelpers - en wel op 15 juni.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt op die dag als volgt:
In Basilicata bij de rivier de Silaro de geboorte van de heilige martelaren Vitus, Modestus en Crescentia, die onder keizer Diocletianus van Sicilië derwaarts gebracht werden. Daar werden zij in een ketel kokend lood geworpen, aan de wilde dieren prijsgegeven en op de brandstapel gelegd, doch met Gods hulp bleven zij standvastig en brachten hun strijd met roem ten einde.
Vitus behoort ook tot de zogenaamde regenheiligen.

Legenda Aurea


Vitus was nog maar een edel en vroom kind van twaalf jaar, toen hij op Sicilië de marteldood onderging.
Thuis had zijn vader al de gewoonte hem telkens een pak slaag te geven, als hij weer eens geen goed woord overhad voor de afgoden en dan ook weigerde ze te vereren.
Toen de prefect, Valerianus, daarvan hoorde, liet hij het kind voor zich dagvaarden en toen het ook daar weigerde te offeren, liet hij het met roeden geselen.
Maar op hetzelfde moment schrompelden de armen van de beulen ineen, als ook de hand van de prefect zelf.
Deze zette het op een schreeuwen: 'Wee mij, ik heb mijn rechterhand verloren.'
Waarop Vitus reageerde: 'Nou, roep dan uw goden aan, en vraag of ze u kunnen komen genezen.'
De prefect vroeg hem: 'Durf jij dan te beweren dat jíj het zou kunnen?'
Vitus antwoordde: 'Ja, ik zou het kunnen in naam van mijn Heer Jezus Christus.'
Op hetzelfde moment kregen de prefect en zijn beulen op het gebed van de jongen de kracht in hun armen terug.
Daarop gebood Valerianus aan diens vader: 'Neem hem mee en zorg dat hem niets overkomt.'
Eenmaal weer thuis probeerde zijn vader hem tot andere gedachten te brengen door middel van mooie muziek en aantrekkelijke meisjes en allerlei andere plezierige dingen.
Op een dag had hij hem in zijn kamer opgesloten, toen er vandaar een verrukkelijke geur scheen te komen.
Hij keek om het hoekje en zag zeven engelen om zijn zoon heen staan.
Hij riep uit: 'De goden zijn naar mijn huis toegekomen!'
Onmiddellijk werd hij geslagen met blindheid.
Op zijn geschreeuw kwam de hele stad Lucana toesnellen; dus ook Valerianus die hem vroeg wat er gebeurd was.
'Ik heb vuurgoden aanschouwd en mijn ogen konden dat niet verdragen.'
Hij werd naar de tempel van Jupiter gebracht; daar beloofde hij een stier met gouden hoorns te offeren, als hij zijn gezicht terugkreeg.
Maar ondanks deze belofte gebeurde er niets.
Daarop smeekte hij zijn zoon hem zijn gezicht terug te geven.
Op het gebed van het kind werden zijn ogen weer geopend.
Maar zelfs dit wonder had vader niet tot andere gedachten gebracht.
Integendeel, hij begon plannen te maken om zijn zoon te doden.
Toen verscheen er een engel aan Modestus, de leermeester van het kind.
Deze droeg hem op om met het kind scheep te gaan en naar een ander land te varen.
Dat gebeurde en een arend bracht beiden elke dag voedsel en ze deden veel wonderen in het land.
In die tijd was de zoon van keizer Diocletianus bezeten van een boze geest.
Deze bezwoer dat hij niet van wijken wilde weten, zolang Vitus van Lucana er niet bij werd gehaald.
Men ging dus op zoek naar Sint Vitus tot men hem vond en bracht hem naar keizer Diocletianus.
Die vroeg aan hem: 'Heel lief kind; kun jij mijn zoon genezen?'
Waarop Vitus antwoordde: 'Ik niet, maar mijn Heer kan dat wel.'
Toen legde hij de bezetene de hand op, en onmiddellijk voer de boze geest uit hem.
Daarop bezwoer hem Diocletianus: 'Lief kind, denk toch om jezelf en offer aan de goden: want alleen zo zul je ontkomen aan een afschuwelijke dood.'
Maar Vitus weigerde, en hij werd prompt in de gevangenis geworpen, samen met Modestus en aan zware ketenen vastgebonden.
Maar 's nachts vielen hun ketenen zomaar van hen af en hun kerker straalde van een schitterend licht.
Dat werd gemeld aan de keizer die hen uit de kerker liet halen en in een brandende clibanus* werpen, maar hij kwam er ongedeerd weer uit.
Toen liet men een wilde leeuw op hen los, om hun te verscheuren, maar door de kracht van hun geloof werd het beest getemd.
Tenslotte werd Vitus samen met Modestus en zijn voedster Crescentia - die hem tot hiertoe steeds terzijde had gestaan - aan een martelwerktuig vastgebonden.
Maar op datzelfde moment werd het aardedonker, de aarde beefde, donder rolde, en de tempels van de afgoden stortten in en begroeven daaronder veel volk.
De keizer was buiten zichzelf van angst; sloeg met zijn vuist en riep: 'Wee mij; ik ben door een kind overwonnen!'
De martelaren werden echter door een engel verlost en bevonden zich op de oever van een rivier, en vonden daar rust en baden, en aldus geven zij hun ziel aan God.
Adelaars bewaakten hun lijken tot een edele vrouwe, Florentia geheten, hen vond - op de hoogte gebracht door Vitus zelf - en met veel eerbetoon begroef.
Hun martelaarschap echter geschiedde onder Diocletianus die in 287 A.D. aan de macht kwam.
* De Voragine gebruikt hier in het Latijn een Grieks leenwoord dat gebruikt wordt voor een oven of pan waarin men met daaromheen gelegde kolen brood bakte of onkruid verbrandde (zie Matteüs 6,30 // Lucas 12,28.)

De clibanus

Op dit schilderwerk van een onbekende meester uit Le Marche zien we de clibanus waarover de Legenda Aurea schrijft en die het bekendste attribuut van Vitus is geworden.
De kunstenaar laat mooi in het midden of dit Latijnse woord een oven dan wel een pan betekent: de pan staat op de oven.
Vitus wordt duidelijk voorgesteld als een jongetje, dat volgens de Legenda Aurea twaalf jaar was.
De vrouw met het aureool is voedster Crescentia die Vitus terzijde staat.
Leraar Modestes ontbreekt, maar we zien wel twee schildwachten en een knaap die het vuur aan moet wakkeren.
School uit Le Marche
Het martelaarschap van de heilige Vitus (midden 15e eeuw)
Vaticaanstad - Pinacoteca Vaticana