Paul Verheijen

MATTEÜS DE EVANGELIST

Apostel / Evangelist

Toen Jezus van daar verderging, zag hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en hij zei tegen hem: 'Volg mij'. Hij stond op en volgde hem.
(Matteus 9,9)
Ook de evangelisten Marcus en Lucas vermelden een roeping van een tollenaar, maar bij hen heet de tollenaar respectievelijk Levi van Alfeüs en Levi zonder meer, hetgeen heeft geleid tot een vereenzelviging van de namen Levi en Matteüs (Marcus 2,14 en Lucas 5,27)
Beide verhalen hebben namelijk dezelfde elementen: de tollenaar zat bij zijn tolhuis en gaf terstond gehoor aan de oproep van Jezus hem te volgen.
Later is Jezus bij Levi gast aan zijn tafel, tot ergernis van de farizeeën die niet begrepen waarom Jezus zich afgaf met tollenaars en andere zondaars.
Matteüs die ook in de apostellijsten wordt genoemd is vanouds geïdentificeerd met de eerste evangelist in het Tweede Testament.

Op Matteüs' naam staat ook een, voor de geschiedenis van de iconografie van Jezus en Maria belangrijk apocrief geschrift uit de 6e/7e eeuw, Liber de ortu beatae Mariae et infantia Salvatoris, gewoonlijk wat korte het Pseudo-Matteüs-evangelie genoemd.
Matteüs' relieken - zegt men - zijn uit Ethiopië via Paestum in de 10e eeuw naar Salerno gebracht, waar zij pelgrims aantrokken.
Hij werd de patroon van belastingambtenaren, boekhouders, geldwisselaars en drinkebroers.
Zijn kerkelijke feestdagen zijn gezet aan het begin van de herfst op 21 september en op 6 mei wordt zijn translatie herdacht.
Enkele oude gebruiken als het oproepen van liefdesorakels op 21 september gaan terug op een voor-christelijk, Germaans herfstfeest.

Legenda Aurea

De Legenda Aurea geeft een uitgebreid relaas van Matteüs' belevenissen in ‘het land van de Moren’ (Egypte en Ethiopië).
In de stad Vadaber werden de bewoners gekweld door de tovenaars Zaroës en Arphaxad, die onder meer een mensenetende draak op hen afstuurden.
Toen Matteüs het ondier door het teken van het kruis had gedood, preekte hij het verwonderde volk de boodschap van het hemelse paradijs.
Hij overtroefde de falende tovenaars door de plotseling gestorven zoon van koning Egippus weer ten leven te wekken, waarop het volk hem met een rijke offergang als een god kwam vereren.
De apostel, niet ontvankelijk daarvoor, wist hen te overreden in plaats daarvan een kerk te bouwen, waarin hij 33 jaar zou werken om heel het volk te bekeren.
Prinses Ephigenia - en met haar 200 andere meisjes - bracht hij tot het behoud van de maagdelijke staat.
De opvolger van de koning, Hirtacus, had echter zijn zinnen op haar gezet.
Matteüs lokte hem naar de kerk en stak daar een listige preek af: u pakt toch een koning zijn bruid niet af! welnu, deze maagd is de gade van de hemelse Koning!
Woedend gaf Hirtacus een beul het bevel Matteüs tijdens de viering van de mis met een zwaard in de rug te treffen en te doden.
De clerus wist de volkswoede om te zetten in een viering van Matteüs' marteldood.
Hirtacus, niet in staat om Ephigenia's besluit te veranderen, stak haar klooster in brand.
Maar daarop verscheen Matteüs en verjoeg het vuur, dat oversloeg naar het paleis; slechts Hirtacus en zijn zoon konden ontkomen.
De duivel voer in de zoon, maar door de apostel werd hij bevrijd en kwam zo tot inkeer.
De koning kreeg een gruwelijke huidziekte en pleegde zelfmoord, waarop het volk Ephigenia's broer, door Matteüs gedoopt, tot koning koos.
Hij regeerde zeventig jaar lang christelijk over Ethiopië.

Andere bronnen vermelden overigens een marteldood van Matteüs door onthoofding (verwisseling met Mattias?) of door verbranding (verwisseling met Barnabas?) vermeld.

Iconografie

De bergrede (Matteüs 5-7) heeft een zeer grote invloed heeft gehad op de christelijke vroomheid.
Het ‘Onze Vader’, het gebed dat Jezus daarin zelf leerde, werd de eeuwen door in de lezing van Matteüs (6,9-15) gebeden.
De rede over het ‘einde van de wereld’ (Matteüs 24-25) was van groot belang voor de iconografie van het Laatste Oordeel en van de Werken van Barmhartigheid.
Matteüs wordt met een volle grijze baard afgebeeld, soms echter ook jong en dan zonder baard (zie bijvoorbeeld Rubens).

Als apostel wordt hij gewoonlijk op traditionele wijze of naar de smaak van de tijd afgebeeld.
Slechts op voorstellingen van zijn marteldood bij het altaar draagt hij een liturgisch, bisschoppelijk gewaad.
Zijn attributen zijn de aan apostelen vaak toevertrouwde boekrol of codex, een zwaard of hellebaard, of een geldbuidel dan wel de instrumenten van een belastingambtenaar: een telraam of winkelhaak.

Als evangelist wordt hij vergezeld door een mens die - gevleugeld zoals andere evangelistensymbolen - aangezien werd voor een hem inspirerende engel.
Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van een eigen Matteüs-tafereel waarin de engel in de werkkamer van de evangelist of in de open lucht zeer actief is.
Uit Matteüs' leven werd als afzonderlijk tafereel meestal zijn roeping afgebeeld die vaak werd gesitueerd in het lokaal van een drukdoende geldwisselaar met klanten, klerken en trawanten.