Paul Verheijen

RUBENS

Visvangsttriptiek

Synopsis

Lucas Johannes
Toen Hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om Hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, zag Hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. Toen Hij was opgehouden met spreken, zei Hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.
(Lc 5,1-11)
Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. Simon Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever. Maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Hij riep: ‘Hebben jullie iets te eten, jongens?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. ‘Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit, en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. De leerling van wie Jezus veel hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, deed hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water. De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie daarnet gevangen hebben.’ Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en Hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij uit de dood was opgestaan.
(Joh 21,1-14)

Visverkopersgilde

Het visverkopersgilde van Mechelen bestelde dit altaar-drieluik bij Peter Paul Rubens voor de kapel van dit gilde in de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk. Het is een van de weinige werken van Rubens dat zich nog op zijn oorspronkelijke plaats bevindt. Dat de Mechelse visverkopers voor dit tafereel kozen, is wel uitgelegd als eerbewijs aan hun rooms-katholieke vroomheid in een tijd toen veel Vlaamse vissers vertrokken naar het protestantse noorden. Uit vroege bronnen valt op te maken dat leden van het gilde door Rubens werden afgebeeld als de discipelen. Het is denkbaar dat de gildebroeders zich daardoor beter konden identificeren met de eerste volgelingen van Jezus en vooral met hun patroonheiligen Petrus en Andreas.
Rubens focust in dit werk op de vissers in actie, terwijl Simon Petrus iets rechts van het midden voor Jezus knielt. Dynamische diagonalen geven structuur aan de compositie, verlevendigd door heldere en contrasterende kleuren. Het rode kleed van Jezus vindt zijn weerklank in de rode jas van de man die het net aan land trekt. Langs de andere hoofdlijn, van linksboven naar rechtsonder, vormen de vissers met ontbloot bovenlijf en vale kleding een diagonaal die verdwijnt in het water. De dreigende hemel boven hen wordt weerspiegeld in de zilverachtige golven, waaruit grote glimmende vissen omhoog komen. Deze asymmetrische maar meesterlijk uitgebalanceerde compositie benadrukt de wildheid van de natuur, die de vissers proberen te beteugelen in hun strijd om het bestaan. Simon Petrus en Jezus lijken daarentegen meer op een visioen dat niets met dit watergevecht te maken heeft.

Het middenpaneel met de wonderbare visvangst wordt geflankeerd door twee zijpanelen met daarop links Petrus en de tempelbelasting (Matteüs 17,24-27) en rechts Tobias en de engel (Tobit 6,1-12). Het gaat hier om twee andere gevallen van wonderbare visvangst. Deze aanvullende taferelen zijn op te vatten als twee andere daden van gehoorzaamheid, die mensen helpen hun weg te vinden op hun levenspad.

Zie ook een ontwerpkarton van Rafaël voor een tapijt in de Sixtijnse kapel in Rome.
Peter Paul Rubens (1577-1640)
Wonderbare visvangst (1618)
Olieverf op middenpaneel, 301 × 235 cm
Stater in vis
Olieverf op linkerpaneel, 301 x 106 cm
Tobias en de vis
Olieverf op rechterpaneel, 301 x 106 cm
Mechelen - Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk
2016 Paul Verheijen / Nijmegen