Paul Verheijen

JOHN WILLIAM WATERHOUSE

Eulalia

Barcelona en Merida

Het Roomse Martelaarsboek herdenkt op de liturgische kalender twee martelaressen met de naam Eulalia.
Op 12 februari:
Te Barcelona in Spanje de heilige maagd Eulalia. Ten tijde van keizer Diocletianus heeft zij de foltering met de pijnbank, met ijzeren haken en met vuur moeten doorstaan. Eindelijk werd zij aan het kruis gehecht en mocht de roemvolle kroon van het martelaarschap ontvangen.
En op 10 december:
Te Merida in Spanje het lijden van de heilige maagd Eulalia, die daar onder keizer Maximianus, toen zij nog maar twaalf jaren oud was, op bevel van de landvoogd Dacianus om het christengeloof zeer vele folteringen moest verduren. Ten laatste hing men haar op in de pijnbank, trok haar nagels uit, plaatste aan beide zijden brandende fakkels naast haar en toen die waren uitgebrand, gaf zij de geest.
Het lijkt niet onaannemelijk dat beide heiligen teruggaan op één enkele legende en dat twee Spaanse steden haar als eigen patrones-martelares opeisten en de legende naar eigen inzichten aanpasten.

In onze streken is de verering voor Eulalia nooit doorgedrongen - hoeveel meisjes zijn naar haar genoemd? - maar in Spanje is zij een van de meest vereerde martelaressen.
Volgens het oudste in de langue d'oïl (oud-Frans) geschreven middeleeuwse document Cantilene / Séquence de Sainte Eulalie, zou zij als tiener haar leven aan Christus gewijd hebben en afgezien hebben van alles wat haar leeftijdgenootjes driftig najoegen: ze droeg bijvoorbeeld geen sieraden.
Tijdens de christenvervolgingen door de Romeinen hielden haar voorname ouders haar op hun landgoed verborgen.
Maar zij vluchtte daar op een nacht van weg, ging over met ruwe stenen, doornen en distels overdekte wegen terug naar de vele kilometers verder gelegen stad en meldde zich vrijwillig met de bekende moed van de ware christen bij rechter Calpurnius die in naam van de beruchte landvoogd Dacianus recht sprak.
Voor hem klaagde zij welbespraakt met de bezonnen wijsheid van volwassenen het 'heidendom' en zijn goden aan, daarbij vol afschuw afgodsbeelden omver stotend en stampvoetend gereedstaand offermeel vertrappend.
De naam Eulalia komt van het Griekse eu laleo, 'goed praten'.
Daarop volgden haar veroordeling en gruwelijke martelingen en bij haar dood zag men haar engelachtige onschuldige ziel als een duif haar mond verlaten.
Haar lichaam zou aan de roofvogels worden gevoerd, maar door een hemelse sneeuwbui werd het met een sneeuwlaag drie dagen bedekt, waarna men haar kon begraven.
Een geloofsgenoot sprak haar daarbij toe en het gezichtje van Eulalia antwoordde met een glimlach.

De in het Roomse Martelaarsboek opgesomde - zo ongeveer op alle denkbare manieren - wrede martelingen zijn kenmerkend voor tiener-maagd-martelaressen uit het begin van het christendom en lijken uit dezelfde legende-mal te komen.

In de adventstijd viert de katholieke kerk vijf 'wijze maagden' die beschouwd kunnen worden als een 'martelaar'-invulling van de wijze maagden uit de parabel van de tien wijze en dwaze maagden die Jezus vertelt in het Evangelie volgens Matteüs
Naast Eulalia zijn dat Bibiana van Rome (2 december), Barbara van Nicomedië (4 december), Lucia van Syracuse (op 13 december) en Odilia van Odilienberg (13 december).

Gedurfde compositie

Dit is een van de meest ongewone en opvallendste olieverfschilderijen van Waterhouse, gemaakt in de stijl van de pre-rafaëlieten.
Het lijk van Eulalia is dramatisch verkort en de sneeuw contrasteert met haar naakte vlees.
Zijn keuze voor deze compositie was riskant, maar het werkt: door het plaatsen van alle andere figuren naar de achtergrond, moet de kijker zijn blik wel werpen op het naakte lichaam.
Deze naaktheid was ook baanbrekend voor Waterhouse en zou hem waarschijnlijk kritiek opgeleverd hebben, ware het niet dat hij door zijn gevoelige behandeling van het onderwerp, het jeugdige van de heilige, en de historische context ontsnapte aan de pen van de critici.

Het oog van de kijker wordt ook getrokken naar het vermoorde meisje via de lans van de Romeinse soldaat die wijst naar de touwen waarmee zij aan het kruis was gebonden.
Merk op dat de duif die uit Eulalia's mond vloog bij haar dood bij Waterhouse een hele zwerm is geworden.
John Wiliam Waterhouse (1849-1917)
Saint Eulalia (1885)
Olieverf op doek, 189 x 118 cm
Londen - Tate Britain