Paul Verheijen

JHERONYMUS BOSCH

Kana- of Landlopertriptiek


Middenpaneel

De vijf hierboven afgebeelde werken worden in verschillende musea bewaard, maar behoorden oorspronkelijk tot een triptiek met op de achterzijde een afbeelding van een marskramer of landloper.
Waarschijnlijk heeft een handelaar in de 19e eeuw het drieluik verzaagd tot de vijf losse werken die het nu zijn, omdat ze dan meer geld opbrachten.
De twee helften van De Marskramer werden bijna naadloos op elkaar aangesloten tot een geheel (een goed kijker ziet de naad nog).

Het is onduidelijk wat het oorspronkelijke middenpaneel aan de voorzijde heeft afgebeeld, reden waarom de triptiek voor de zekerheid ook wel als Landlopertriptiek wordt betiteld.
Gesuggereerd is dat het een afbeelding van het Laatste Oordeel betrof.
In de hier afgebeelde reconstructie is gekozen voor De Bruiloft te Kana.
Van dit werk, waarvan het origineel verloren is geraakt, zijn slechts kopieën bekend.

Op de tekening (afbeelding A) zien we linksonder een niet te identificeren bisschop of kanunnik in een wit liturgische gewaad met smalle kraag en met een almutia, pelsmantel, over zijn onderarm gedrapeerd.
Mogelijk is dit de opdrachtgever / schenker voor het nog uit te voeren werk, waarvoor deze tekening het ontwerp zou kunnen zijn geweest.
Op de geschilderde kopie B (die bovenaan onvolledig is) wordt die plek ingenomen door twee honden die niet stroken met het oeuvre van Jheronimus Bosch en op kopie C is het een lege plek.

De bruid, gekleed in het wit, wordt geflankeerd door Jezus' moeder en zijn geliefde leerling Johannes.
De twee mannen rechts aan tafel naast de zegenende Christus zijn vermoedelijk ook schenkers of opdrachtgevers.
In Middelhoogduitse handscripten van tussen 1400-75 zijn preken over de Bruiloft te Kana teruggevonden waarin dit wonder werd verbonden met de voordelen van het huwelijk en werd gewaarschuwd voor ondeugden als lust, hoofmoed en dwaasheid.

Zoals vaker in Bosch' werk wordt dit bijbelse verhaal op de zijluiken en achterzijde voorzien van allegorische voorbeelden.
Zo'n exempel was een door de dominicanen en franciscanen reeds eerder gebruikt didactisch middel.

Exempel 1: Landloper

De hoofdfiguur (geopperd is dat het een zelfportret van Jheronimus Bosch zou kunnen zijn) van de achterzijde is een marskramer, hoewel hij lang gezien als de Verloren Zoon uit de gelijknamige parabel van Jezus, vooral vanwege de varkenstrog voor het huis.
Dit huis is herkenbaar als bordeel, want voor middeleeuwers was een uithangbord met een afbeelding van een dier (hier een zwaan) een teken dat het gebouw een bordeel was.
De vrouwen met de witte mutsen zijn dus hoeren of koppelaarsters.
Er zit nog meer symboliek in die voor ons moeilijk is te herkennen:
  • De kruik op de stok in het dak en de andere in de hand van de vrouw die zich beneden bevindt, staan voor vrouwelijke wellust.
  • Het piepkleine gestreepte vogeltje bij de nok is een zogeheten hopvogel; rond 1500 zou ‘hopke’ een aanduiding voor prostituee zijn.
  • Eksters duiden op zucht naar weelde.
  • Een vogel in een kooi betekent ‘huwelijk’.
  • Ook de duiven verwijzen naar prostitutie: een ‘duyfhuis’ was een ander woord voor bordeel.
  • De uil was toen in tegenstelling tot de huidige symboliek een teken van dwaasheid, een uilskuiken.
  • De broek die uit het raam hangt geeft aan dat er op dat moment een klant binnen is, want de uitdrukking ‘de broek afspelen’ was synoniem voor de geslachtsdaad.
De marskramer is een armoedige (hij draagt een slof en een schoen) rondreizende venter met de mand, 'mars', op zijn rug.
Wat heeft deze mens in zijn mars?
Wat is bijvoorbeeld de betekenis van het varkenspootje dat voor uit zijn kleding steekt, het kattenvel bij de pollepel aan zijn mars en de priem met een stevige draad op de hoed in zijn hand?
De boodschap kan mogelijk zo worden geduid dat de mens de veelheid en diversiteit van zondige wegen kan overwinnen door zich tot God te wenden.
Die weg leidt bijvoorbeeld van de tuin voor een bordeel naar de 'nauwe poort', een hek met daarachter een runddier, een offerdier en daarmee symbool voor Christus en een ekster die staat voor de bevrijde ziel.
Een terugweg is niet meer aanlokkelijk door de grommende hond achter hem.
De opvatting dat het leven een pelgrimstocht naar God is, komt vaak terug in het werk van Bosch.

Exempel 2: Narrenschip

Het Narrenschip en de Allegorie op de Gulzigheid vormden oorsponkelijk het linkerpaneel, maar dit luik is nog eens in tweeën gezaagd.
Das Narrenschiff van Sebastian Brant (1457/8-1521) is een moraalsatire, waarin een bloemlezing wordt gegeven van de menselijke gebreken die tot dwaasheid leiden.
Hoewel er in het werk al een licht humanistische ondertoon waarneembaar is, moedigt Brant toch vooral de volkse lezer aan tot trouw aan de wereldlijke en kerkelijke gevestigde orde.
Brant illustreert zijn opvattingen met veel verwijzingen naar bijbelse verhalen en klassieke mythen, die tot dan het westerse denken en weten bepaalden en stelt dat we in het schip maar drie vingers breed van de dood verwijderd zijn.
Het werk, geschreven in het niet-elitaire Hochdeutsch, heeft gedurende honderden jaren een grote invloed gehad binnen de Europese cultuur.
Een Nederlandse vertaling van dit boek verscheen in 1497 en Jheronimus Bosch zal dit (of het origineel) vermoedelijk als bron gebruikt hebben voor de uitbeelding van zijn narrenschip.
Wye hem in der sotten schep sedt vaert al lachende ende singhende ter hellen waert.
Het narrenschip gaat dus richting hel en toont een bont gezelschap: feestvierders amuseren zich met lekkernijen en drank, liefdesspel en muziek, hoog in de groene takken die in de mast van het bootje zijn gebonden, zit een uil die op het tijdverdrijvende gezelschap neerkijkt, een man hanteert een reusachtige lepel als roeispaan, terwijl hij samen met een franciscaan, een luitspelende claris en twee andere mannen een happende beweging maakt naar een opgehangen homp brood / koek?, of zijn ze aan het zingen dan wel ruziën?
Een plank steekt als een duikplank ver over de rand van de boot en dreigt in het water te vallen.
Op de plank staan een tinnen beker en een bord met kersen, symbolen van geslachtelijke lust. vechten
Links vechten een in het rood geklede man en een gesluierde vrouw om twee kruiken, waarvan die van de vrouw leeg en de andere die in het water dobbert nog vol lijkt.
Een feestvierder hangt rechts kotsend over de boeg, een nar heeft zich verwijderd van de rest en zoekt zijn heil in de drank.
Links van hem klautert een man met een mes in de mast om de boven hem vastgebonden geplukte kip (vraatzucht) los te snijden.
Op de wapperende vlag staat een maansikkel die lijkt te verwijzen naar het Ottomaanse rijk.
Helemaal onderaan zwemmen twee blote mannen in het donkere water; de ene houdt een gevulde schaal omhoog en de andere probeert klampt zich vast aan de boot.
De afgebeelde voorwerpen zijn tekens van wellust.

Het nu van het narrenschip gescheiden onderste deel van dit linkerluik breidt de voorstelling van dwaasheid en drank- en vraatzucht verder uit en heeft als titel nu meegekregen Allegorie op de Gulzigheid.
De ondeugden gula (gulzigheid) en luxuria (wellust) worden hier verder allegorisch uitgewerkt.

Exempel 3: Vrek

De Ars Moriendi, 'Kunst van het sterven', zijn twee verwante Latijnse teksten uit ongeveer 1415 en 1450 die advies geven over hoe de mens goed kan sterven volgens de christelijke voorschriften.
Het werd geschreven binnen de historische context van de pest 60 jaar eerder en de daaruit voortvloeiende sociale omwentelingen van de 15e eeuw.
Het werk was erg populair, vertaald in de meeste West-Europese talen en voorzien van elf paginagrote houtsnedes met een man in zijn sterfbed als leerzame afbeeldingen die gemakkelijk konden worden uitgelegd en uit het hoofd geleerd.
De afbeelding van de stervende vrek lijkt te zijn gebaseerd op een van die houtsnedes.
Sterk vermagerd zit een oude man op zijn sterfbed op de schouder vastgehouden door een engel die hem wijst op de in het bovenvenster verschijnende crucifix waaruit licht op hem schijnt.
Als Magere Hein stapt de dood binnen en richt een pijl op de stervende.
Een duiveltje komt onder het bedgordijn vandaan en biedt hem een flinke zak (met geld?) aan, terwijl een tweede duivelje vanaf het baldakijn naar beneden loert.
In de tijd van Bosch keek de duivel altijd over je schouder mee.
Kiest de stervende voor de duivel of voor de engel?
Aan het voeteneind van het sterfbed staat een schatkist.
Zien we hier dezelfde stervende man toen hij nog in goeden doen was?
Hij steunt op een stok en houdt met dezelfde hand een rozenkrans vast.
Met zijn andere hand werpt hij munten in een zak / kruik die door een duiveltje wordt vastgehouden.
Nog meer op de voorgrond ligt een ridderuitrusting, van de stervende man of symbool voor een christelijke strijd tegen het kwaad?
De stervende wordt geconfronteerd met de verleidingen die zijn leven hebben beheerst en met de verlossing door Christus.
Jheronimus Bosch (circa 1450 - 1516)
Landlopertriptiek (reconstructie) (1500-10)
Olieverf op eiken, 94 x 72 cm (middenpaneel), 94 x 33 (zijpanelen)

Achterzijde: De Marskramer (Rotterdam - Boijmans van Beuningen)
Linksboven: Het Narrenschip (Parijs - Louvre)
Linksonder: Allegorie op de Gulzigheid (New Haven - Yale Art Galery)
Rechts: De Dood van een Vrek (Washington - National Gallery of Art)
Midden (verloren geraakt)

Anoniem
De Bruiloft te Kana
A - Pentekening op papier (1505-15) 28 x 21 cm (Parijs - Louvre)
B - Olieverf op paneel (1555-61) 93 x 72 cm (Rotterdam - Boijmans van Beuningen)
C - Olieverf op paneel (1515-40) 94 x 72 cm ('s-Heerenberg - Huis Bergh)