Paul Verheijen

AARTSVADERS

Epos

Het groots opgezette epos van de joodse aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob bestaat uit losse verhalen, anekdotes en novellen, die op veel en zeer verschillende bronnen en tradities teruggaan.
Ze zijn te lezen in Genesis, het eerste boek van de Bijbel:
  • Genesis 12,1 - 25,18
    Abraham waarin ook het levensverhaal van Isaak verwerkt is
  • Genesis 25,19 - 36,43
    Isaak en zijn zonen Esau en Jakob
  • Genesis 37,1 - 50,26
    Jakob en zijn zonen waarin de figuur van Jozef bijzonder op de voorgrond treedt.
Het epos heeft een enorme hoeveelheid stof verleend aan de joods-christelijke iconografie.

De eerste van de drie aartsvaders of patriarchen uit het Eerste Testament, geldt als stamvader van de Israëlieten.
Het verhaal van zijn leven wordt verteld in Genesis 12-25.
Hij was een verre nazaat van Sem, de oudste zoon van Noach.
Samen met zijn vader Terach, zijn onvruchtbare vrouw Sarai en zijn neef Lot trok hij weg uit de stad Ur in Chaldea naar Kanaän.
Met zijn land verliet hij de voorouderlijke goden waarvan hij, aldus de joodse traditie, de beelden vernietigde, en hij bekende zich tot zijn stamgod als de ene God, JHWH.
Toen Terach onderweg in Haran gestorven was, trok Abram verder tot Sichem, waar JHWH hem verscheen en hem land, welvaart en nageslacht beloofde.
Tijdens een verblijf in Egypte, waarheen Abram vanwege een hongersnood in Kanaän uitgeweken was, deed hij zich voor als een broer van Sarai, uit vrees dat hij het er als echtgenoot van de begeerlijke vrouw niet levend af zou brengen.
De farao nam haar inderdaad als een van zijn vrouwen op in zijn huis en beloonde Abram daarom rijkelijk.
Toen JHWH vanwege de schending van Sarai's eer de farao met rampen trof, merkte de vorst dat hij zich vergrepen had aan Abrams vrouw.
Abram werd daarom met Sarai en zijn bezittingen de grens overgezet.
Terug in Kanaän gingen Abram en Lot, beiden inmiddels in het bezit van grote kudden, uit-een: Lot naar Sodom aan de vruchtbare Jordaan, Abram naar Hebron in het dorre bergland.
Toen Lot door koningen, die het land aan de Jordaan vanuit het oosten binnenvielen, gevangen genomen werd, verbond Abram zich met hun tegenstanders.
Hij versloeg de invallers en bevrijdde zijn neef.
Bij de viering van de overwinning bood Melchisedek*, koning en priester van Salem (later Jeruzalem), hem brood en wijn aan en zegende hem. Abram schonk hem op zijn beurt een tiende deel van de oorlogsbuit.
Hierna sloot JHWH met Abram een verbond, waarbij de beloften van nageslacht en eigen land herhaald en in een visioen bekrachtigd werden.
Het geloof van de kinderloze Abram in de onwaarschijnlijke belofte werd hem als gerechtigheid aangerekend.
Bij een later herhaalde verbondssluiting legde JHWH op, dat voortaan alle mannen van Abrams stam en allen die daarin zouden worden opgenomen, besneden werden.
De naam van Abram (vader is verheven) werd toen door JHWH veranderd in Abraham (vader van menigten); die van Sarai (prinses) in Sara (koningin).
Bij deze verbondssluitingen werd aan Abraham telkens een groot nageslacht beloofd, hoewel Sara hem nog geen kinderen had geschonken.
Op haar voorstel nam Abraham haar slavin Hagar als bijvrouw.
Toen deze, van hem zwanger geworden, zich hooghartig begon te gedragen, maakte Sara haar het leven zuur.
Hagar trok weg van Abraham, maar werd door een engel van JHWH teruggestuurd en baarde Abraham een zoon: Ismaël.
Drie vreemdelingen, op strafexpeditie naar het zondige Sodom en gastvrij in Abrahams tent bij de eik van Mamre ontvangen, beloofden hem de geboorte van een zoon uit Sara, en wel binnen een jaar, dit tot ongeloof en hilariteit van de meeluisterende, inmiddels hoogbejaarde Sara.
De drie vreemdelingen bleken later, toen Abraham hen, bezorgd om Lot, op weg naar Sodom begeleidde, JHWH en twee engelen.
Inderdaad baarde Sara te Berseba, waar Abraham zich inmiddels gevestigd had, een zoon: Isaak.
De geboorte bracht vreugde en perspectief, maar kostte Hagar en haar zoon de positie in de clan.
Abraham zond hen de woestijn in.
Daar werd hun op het moment dat het jongetje van dorst dreigde om te komen een belangrijk nageslacht beloofd: de volkeren van Arabië.
Ismaël werd een uitstekende boogschutter.
Hij leefde in de woestijn met de Egyptische vrouw die Hagar voor hem koos.
Met zijn lang begeerde zoon werd de trouw van Abraham aan JHWH ernstig op de proef gesteld.
God beval hem, Isaak op de berg Moria als een brandoffer aan hem op te dragen.
Abraham begaf zich met vuur en offermes op weg.
De jongen droeg zelf het brandhout en verwonderde zich over het ontbreken van een offerdier.
Toen Abraham zijn zoon op de brandstapel had gebonden en zijn arm hief om hem met een mes de keel door te snijden, greep de engel van JHWH in: Abraham had zijn trouw getoond.
Een ram, die met zijn horens in het struikgewas verward was, nam de plaats van Isaak in.
Sara en Abraham bereikten beiden een hoge leeftijd.
Toen Sara stierf, kocht Abraham voor haar een passende begraafplaats.
Hij zorgde verder voor het huwelijk van zijn zoon, regelde de positie van zijn bijvrouwen en haar kinderen en stierf 175 jaar oud.
Hij werd begraven bij Sara in de grot op de akker van Makpela.
* Melchisedek wordt gezien als voorafbeelding van Christus en kreeg een plek op de liturgische heiligenkalender op 25 maart.

De tweede van de aartsvaders, moet het in de aan hem gewijde verhalen van het boek Genesis 21-29 en 35 afleggen tegen de sterkere persoonlijkheden van zijn beroemde vader Abraham en zijn gewiekste zoon Jakob.
Zijn (ingekorte) naam betekent ‘moge God toelachen’, werd echter verstaan als de lach van Abraham, zijn moeder Sara en de mensen om zijn on-verwachte en wonderlijke geboorte.
Zijn vader - eerder op de proef gesteld met het door JHWH gevergde offer van deze enige zoon op de berg Moria - regelde via een vertrouwde dienaar zijn huwelijk.
De dienaar (naar men aanneemt gaat het om Eliezer) werd uitgezonden naar de stad van Nachor, waar verwanten van Abraham woonden, en ontmoette er een mooi meisje dat hem bij een waterput te drinken gaf.
Het was Rebekka, die een familielid van Abraham bleek te zijn en onder gezag stond van haar broer Laban.
Laban gaf zijn zuster - na het overvloedig uitdelen van geschenken door de bruidswerver - graag mee voor de zoon van de grote Abraham.
In zijn huwelijksleven liet Isaak zich tergen door zijn bijvrouwen en, blind geworden, in de luren leggen door zijn gedecideerde vrouw Rebekka en haar favoriete zoon Jakob.
Het enige verhaal waarin Isaak zelfstandig optreedt is dat van zijn verblijf bij de Filistijnen en van zijn contacten met hun koning Abimelek.
Maar ook dat lijkt op belevenissen van zijn vader Abraham.
Zo gaf hij zich uit voor de broer van Rebekka ter bescherming van zijn eigen leven, dat gevaar zou kunnen lopen als men in hem als echtgenoot een obstakel zou kunnen zien.
Koning Abimelek achterhaalde de waarheid nadat hij het tweetal tot zijn consternatie had zien minnekozen.
Isaak verwekte bij Rebekka een tweeling, Esau en Jakob, die voor en bij hun geboorte reeds tekenen van hun latere rivaliteit om de eerste plaats in de erfopvolging vertoonden.

Jakob is na Abraham en Isaak de derde en misschien wel meest geprononceerde van de aartsvaders.
Hij was de jongste van zijn tweelingbroer Esau die Isaak had verwekt bij Rebekka.
Zijn leven wordt verteld in de hoofdstukken 25, 27-35, 46 en 50 van het boek Genesis.
Hij was een rustig man die het liefst bij de tenten bleef, anders dan de eerstgeborene Esau, die een kundig jager was en er altijd op uit trok.
Al uit hun gevechten in de moederschoot bleek de tegenstelling tussen beiden, want bij zijn geboorte hield Jakob de hiel van zijn broertje vast, in een poging zelf de eerstgeborene te worden.
Deze rivaliteit tussen beide broers bleef.
Toen Esau eens hongerig terugkeerde van de jacht, kocht Jakob van hem voor een bord linzensoep zijn eerstgeboorterecht.
Later ontfutselde hij bedrieglijk met instemming en hulp van zijn moeder Esau de zegen van zijn vader.
Om de wraak van de bedrogen broer te ontwijken en om zich een vrouw te zoeken trok Jakob weg uit Kanaän naar Laban, een broer van zijn moeder in Mesopotamië.
Voor zijn vlucht kreeg hij een opbeurende droom: een ladder reikte tot in de hemel met op en neer gaande engelen.
Van JHWH ontving hij een belofte zoals die aan zijn voorvader Abraham was gedaan: de zekerheid van nakomelingen in het bezit van dit, zijn eigen land, waarna hij op die plaats een wijsteen oprichtte en er olie over uitgoot.
Rijk geworden, keerde hij na jaren met twee vrouwen, Labans dochters Lea (= koe), wier ogen geen glans hadden, en Rachel (= ooi), die mooi en aantrekkelijk was, terug naar Kanaän.
Listig had hij zich een grote kudde verworven ten koste van Labans bezittingen.
Deze bedroog hem van zijn kant door eerst Lea in de plaats te stellen van de beloofde Rachel.
Door opnieuw een tijd voor Laban te werken verwierf hij de begeerde Rachel.
Het vertrek met vrouwen en bezittingen uit Mesopotamië moest in het geheim gebeuren.
Laban, die er na drie dagen toch achter kwam, reisde de karavaan haastig na.
Bij de nodige verwijten hoorde ook dat van de diefstal van Labans huisgoden.
Toen Jakob tegenwierp daar niets van af te weten, bleek bij nader onderzoek dat Rachel het in het geheim had gedaan en de afgodenbeeldjes in haar tent onder het kameelzadel, waar ze op zat, had verborgen.
In Kanaän verzoende Jakob zich met Esau en vestigde hij zich bij Sichem.
Voorafgaande aan de verzoening had hij een gevecht met een engel, die hem de nieuwe naam Israël (hij strijdt met God) gaf.
Zijn eerste naam betekent ‘dat JHWH (mij) be-scherme’, maar werd in de populaire traditie in verband gebracht met ofwel het Hebreeuwse woord voor ‘hiel’ en daarom verstaan als ‘hieleknijper’, ofwel met het woord voor ‘onderkruiper’.
Twaalf zonen van Jakob vormen de basis voor de twaalf stammen van het joodse volk.
Op zijn sterfbed spreekt hij de twaalf persoonlijk toe (de datum achter de naam verwijst naar hun kerkelijke feestdag indien van toepassing):
  • Ruben (Genesis 49,3-4) (4 augustus)
  • Simeon (Genesis 49,5-7)
  • Levi (Genesis 49,5-7)
  • Juda (Genesis 49,8-12 (19 december)
  • Zebulon (Genesis 49,13)
  • Issachar (Genesis 49,14-15)
  • Dan (Genesis 49,16-17)
  • Gad (Genesis 49,19)
  • Aser (Genesis 49,20)
  • Naftali (Genesis 49,21)
  • Jozef (Genesis 49,22-26) (11 december)
  • Benjamin (Genesis 49,27) (19 december)

Heiligen

Alle drie aartsvaders hebben een plek gekregen op de christelijke liturgische kalender.
Abraham op 9 oktober, soms op 20 december als 'vader van alle gelovigen'.
Op 25 maart kreeg Isaak zijn feestdag als 'voorloper van Christus'
Hoewel er onduidelijkheid bestaat of Jakob als heilige van het Eerste Testament mag worden beschouwd vanwege zijn bedriegelijke activiteiten, heeft hij een herdenkdag, te weten op 5 februari (in andere bronnen ook op 2 januari, 6 oktober of 19 december).

Ook de (hoofd)vrouwen van de aartsvaders worden geschaard onder de heiligen van het Eerste Testament: Sara op 9 oktober, Rebekka op 30 augustus en Rachel op 15 januari (of 11 juli).

In de Koran

De drie aartsvaders komen ook voor in de Koran.

Ibrahiem (Abraham) wordt met Ismaël door de islam beschouwd als de oprichter van de Kaäba in Mekka en daarmee als de eerste pijler van deze religie (Soera 2,124-29).

Ishaak (Isaak) wordt in de Koran verschillende malen genoemd, maar altijd in namenreeksen behalve in Soera 11,71, waar de belofte van zijn geboorte in verband wordt gebracht met het lachen van Abrahams vrouw. Men strijdt over de vraag of - als er in de Koran over de zoon van Abraham wordt gesproken - daar Isaak of Ismaël bedoeld is, een vraag die verband houdt met de afstamming van de joden en de Arabische volkeren.

Ja'koeb (Jakob) is volgens de Koran in vijf teksten geen zoon van Isaak maar van Abraham (Soera 6,84; 11,71; 19,49; 21,72 en 29,27).