Paul Verheijen

MARIA

Geboorte

Buitenbijbels

De kerk viert slechts drie aardse geboortedagen: van Maria (8 september), van Johannes de Doper (24 juni) en van Jezus (25 december).
Voor alle andere heiligen wordt met de dies natalis de geboortedag van de hemel bedoeld.

Negen maanden na het feest van Maria's Onbevlekte Ontvangenis wordt sinds Sergius I (paus van 687-701) de geboorte van Maria gevierd als kind van Joachim en Anna.
Deze paus schreef voor dat op vier grote Mariafeesten (verder ook Lichtmis, Annunciatie en Tenhemelopneming) in Rome een lichtprocessie plaats moest vinden van de Sant'Adriano al Foro Romano, de voormalige vergaderzaal van de Senaat, naar de Santa Maria Maggiore.
De paus met de geestelijkheid nam daar barrevoets aan deel.
Er werden zedepreken gehouden en litanieën gelezen.
Oorspronkelijk werd op 8 september de wijding van deze Hadrianuskerk in Rome herdacht.
Andere bronnen zeggen dat dit de dag was van de wijding van de Sint Annakerk in Jeruzalem, gebouwd op de plek waar Anna en Joachim woonden, boven een grot waar Maria zou zijn geboren.
In 1874 werd die kerk aan de Witte Paters gegeven die 15 jaar later claimden het graf van Anna en Joachim te hebben ontdekt naast de grot.

De bijbel doet over de geboorte van Maria geen enkele mededeling.
Voor verhalen over Maria's (jeugd)leven moeten we te rade gaan bij bijvoorbeeld het Proto-evangelie van Jakobus of bij de Legenda Aurea (hoofdstuk 131).
Deze laatste bron vermeldt verder dat Anna drie keer getrouwd is geweest, achtereenvolgens met Joachim, Cleophas en Salome.
Alle drie mannen baarde zij een dochter en, geloof het of niet, aan alle drie gaf zij de naam Maria, waarmee De Voragine op vernuftige wijze drie van de vele verschillende Maria's die in het Tweede Testament worden genoemd via Anna aan elkaar verbindt.

Op driejarige leeftijd werd Maria door har ouders naar de tempel gebracht om haar aan God op te dragen.
Maria bestijgt zonder hulp de vijftien treden die naar het altaar leiden (een geliefkoosd onderwerp in de iconografie).

Ook verklaart hij de geboortedag 8 september waarvoor hij de theoloog Johannes Beleth (1135-82) citeert.
Die schreef dat hij elk jaar op 8 september als hij in gebed was grote vreugde en jubel van engelen vernam.
Hij vroeg God waarom dat was en God openbaarde hem dat dit vanwege de geboorte van Maria was en dat dit voortaan op aarde net zo gevierd moest worden als in de hemel door de engelen.
Dat alles vertelde Beleth de paus die daarop het feest instelde.

Proto-evangelie van Jakobus