Paul Verheijen

SCHEPPINGSVERHALEN

Eerste bijbelse scheppingsverhaal: een hymne

De scheppingshymne of het scheppingsgedicht is de veelbesproken opening van de bijbel (Genesis 1,1 - 2,4a).
Hoewel het staat aan het begin is het een van de jongste stukken in de bijbel en werd het gebruikt tijdens de erdienst in de tempel.
De voorganger prijst de Schepper en maakt een opsomming van de schepping van het licht, het water, de aarde, de planten, de dieren en de mensen.
Overeenkomstig de dagen van de week speelt het getal zeven een prominente rol in de hymne.
De gemeente valt telkens opnieuw in met het zevenlettergrepige lof- en dankrefrein:
wa-jar e-lo-hiem kie tov, God zag: ja goed!

God schept de zesde dag de mens.
In het Hebreeuws staat er letterlijk: wajivra elohiem et ha-adam betsalmo betselem elohiem bara oto zakhar oeneqeva bara otam,
toen schiep God de (oer)mens naar zijn beeld naar het goddelijk beeld heeft hij hem geschapen mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.

Merk op dat er geen sprake is van 'namen' voor een 'mensenpaar'.
De termen 'adam' en 'eva' zitten wél in het Hebreeuws ingesloten.
De dichter van deze hymne schrijft over de mensheid die een mannelijke en vrouwelijke kant heeft.

Tweede bijbelse scheppingsverhaal: een etiologie

Het tweede scheppingsverhaal (Genesis 2,4b - 3,24) ademt een heel andere sfeer.
Natuur- of cultuurverschijnselen krijgen hier mythologische verklaringen.
In deze scheppings-etiologie horen we bijvoorbeeld waarom man en vrouw zich seksueel tot elkaar aangetrokken voelen, hoe de zonde in de wereld kwam, waarom er dieren zonder poten zijn, waarom een vrouw pijn lijdt bij een bevalling en waarom een man hard moet werken.

In deze versie wordt God aangeduid met de vier letters JHWH en heeft hij menselijke eigenschappen:
hij neemt stof van de aarde, boetseert, blaast, loopt rond, praat, enzovoort.
De schrijver speelt voortdurend met (Hebreeuwse) woorden: adam - adamah:
mens(heid) - klei(grond), isj - isjah: man - mannin (=vrouw).
Omdat 'mens' die hij geschapen heeft, eenzaam is, boetseert JHWH alle landdieren en vogels.
Maar 'mens' vindt geen passende hulp.
Dan brengt JHWH 'mens' in slaap en neemt een tsela van hem weg, letterlijk een flank, de zijkant van de buik tussen onderste ribben en heup.
Daaruit boetseert hij het vrouwelijke.
'Mens' geeft haar pas later een naam: Chawwah, Eva, 'levengeefster'.
En zo kennen wij het eerste mensenpaar als:

Adam en Eva

In navolging van Paulus die meermalen spreekt over het verband tussen Adam en Christus, die hij de tweede Adam noemt, vertelt het christendom in legendes dat Adam werd begraven op de plaats waar Jezus later was gekruisigd: Golgotha.
Op 24 december, op de vooravond van het geboortefeest van Jezus gedenkt het roomskatholicisme de stamvader en -moeder van het mensengeslacht.

Iconografie

Adam en Evan, al dan niet gekleed, zijn misschien wel het meest vaak uitgebeelde paar uit de bijbel.
De zondeval en de verdrijving uit het paradijs is dan de gebruikelijke context.
Vaak worden er ook verschillende (exotische) dieren bij afgebeeld.
Op een prent van Rembrandt (zie afbeelding *) is de in zijn tijd bekende Hansken afgebeeld, een slagtandloze olifant uit Sri Lanka die tussen 1630 en 1655 in Europa allerlei kunstjes vertoonde en vanwege het voeren van teveel brood zo rond werd als een ton.
In de Physiologus, een Griekse collectie van gemoraliseerde dierenverhalen uit de 3e/4e-eeuw die aan de basis lag van de populaire bestiaria in de middeleeuwen, belichaamt de olifant kuisheid.
In het paradijs hoort ze dus thuis vóór de zondeval.
* Tekening, 16 x 12 cm (Haarlem - Teylers Museum)