Paul Verheijen

JOSÉ DE RIBERA

Paulus de Eremiet

Eremiet

Een eremiet (synoniemen: heremiet, kluizenaar, anachoreet) is een religieuze man of vrouw die in afzondering leeft in een kluizenarij of hermitage, buiten de bewoonde wereld.
De eerste mensen die eremiet genoemd werden waren de woestijnvaders, christelijke monniken die zich in de 2e eeuw afzonderden in de woestijn (Grieks: erêmos) van Egypte.
Zij waren soms voor de christenvervolgingen gevlucht, die regelmatig in het Romeinse Rijk plaatsvonden, en hadden ontdekt dat stilte, eenzaamheid en matigheid in voedsel, drank en slaap een vruchtbare grond voor het gebed konden vormen.
Bekende woestijnvaders zijn Antonius Abt, Hiëronymus op het eind van zijn leven en de eremiet die onderwerp is van deze pagina.
Zij kregen vele navolgers, die steeds verder de woestijn introkken, en uiteindelijk ook de gemeenschappen stichtten waaruit later het christelijke kloosterwezen ontstond.
Gedurende de middeleeuwen waren er in Europa overal kluizenaars, die zich ophielden in afgelegen oorden zoals in de wouden, hoog in de bergen, op een pilaar (Simeon de Styliet), maar ook dichter bij de bewoonde wereld.
Ze lieten zich zelfs soms inmetselen in een cel.
Sommige heremieten stonden hoog aangeschreven om hun wijsheid en waren geliefde raadgevers (soms van edelen en vorsten), anderen waren zeer eenvoudige (vaak ongeletterde) broeders die zich vooral bezighielden met het herhalen van eenvoudige mondgebeden.
Het isolement van een eremiet werd in de kunst een bekend thema.
Kluizenaars die zich in de woestijn terugtrekken en met God (en met zichzelf en tegen de duivel) worstelen spraken letterlijk tot de verbeelding.

Christenvervolging

Paulus van Thebe, gewoonlijk Paulus de Eremiet genoemd, leefde van circa 225 tot 340.
Zijn hagiografie werd rond 375 met veel fantasie opgeschreven door Hiëronymus en bewerkt overgenomen in de Legenda Aurea.
Op ongeveer vijftienjarige leeftijd verloor hij zijn ouders en deelde hij met zijn gehuwde zuster een rijke erfenis.
Om de Romeinse christenvervolgingen te ontlopen trok hij zich terug in een afgelegen landhuis.

De reden waarom Paulus zeven jaar later de woestijn introk had te maken met het feit dat de Romeinen twee jongemannen gevangen hielden die christen waren.
De ene jongeman bestreek men over zijn hele lijf met honing en legde hem naakt in de zon.
Stekende insecten martelden hem vervolgens vreselijk.
De andere jongeman legde men vastgebonden op een zacht bed in een lustoord.
Een mooi maar schaamteloos heidens meisje werd naar hem gebracht die haar lusten op hem begon bot te vieren.
De jongeman die voor de hemelse liefde had gekozen, was van deze lichamelijke liefde niet gediend.
Daarom beet hij met zijn tanden zijn tong af en spuwde die in het gezicht van het meisje.
Met de ontstane pijn bestreed hij de beproeving en behaalde zo de overwinning.
Paulus was getuige van beide martelingen die men de christenen aandeed en vluchtte daarom naar de woestijn.

Half en heel brood

Een tweede reden waarom hij de woestijn in vluchtte was omdat zijn zwager hem had verraden om zodoende de erfenis alleen voor zichzelf en zijn vrouw te verkrijgen.
Negentig jaar leefde Paulus vervolgens ascetisch in volstrekte afzondering, in een grot bij een palmboom en een waterbron.
Een raaf bracht hem elke dag een half brood.
Aan het eind van zijn leven werd Paulus bezocht door Antonius Abt die hem vond nadat een centauer en een faun hem de weg naar de grot hadden gewezen.
Tijdens hun gezamenlijke verblijf bracht de raaf nu een heel brood.
Een vrome tweestrijd ontstond tussen beiden, wie het brood zou breken: de gast of de gastheer.
Tenslotte kwamen ze overeen, dat ieder het brood bij een uiteinde zou vasthouden en dat elk dat deel van het brood zou houden, dat in zijn handen bleef bij het breken.

Na Paulus' dood begroef Antonius hem met hulp van twee leeuwen.
Antonius bewaarde het palmbladeren kledingstuk van Paulus als een kostbare schat en trok het aan met Pasen en Pinksteren.

Vriesheilige

Bij zijn graf ontstond het Paulusklooster, maar zijn relieken zwierven elders over de wereld en worden sinds 1381 vereerd in het paulijnenklooster in Boedapest.
Zijn feestdag op de heiligenkalender is 15 januari en hij behoort met Antonius Abt en Sebastianus tot de zogenaamde Vriesheiligen of 'Harde Koppen'.

Halffiguren

De meest geschilderde thema's van Ribera op latere leeftijd zijn halffiguren van boetende, biddende of door God geïnspireerde profeten, apostelen of martelaren.
Meestal schilderde hij een naakt bovenlichaam.
Door de kale en magere romp, de schedel en het boek, wordt slechts duidelijk dat we met een heilige kluizenaar van doen hebben.
Het halve brood en de doek van palmbladeren die hij om zijn lendenen heeft, identificeert hem echter als Paulus van Thebe.
De schedel symboliseert de vergankelijkheid van de mens, het boek verwijst naar zijn geestelijke oefeningen en het stuk brood naar zijn ascese.
José (Jusepe / Giuseppe) de Ribera (Lo Spagnoletto) (1591-1652)
San Pablo eremita

Linksboven: olieverf op doek, 197 x 153 cm (1620-40)
Parijs - Louvre

Rechtsboven: olieverf op doek, 118 x 98 cm (1635-40)
Madrid - Prado

Linksonder: olieverf op doek, 133 x 107 cm (1638 ca)
Baltimore - Walters Art Museum

Rechtonders: olieverf op doek, 130 x 104 cm (1647)
Keulen - Wallraf-Richartz-Museum