Paul Verheijen

ANTONIUS

Met het varken

Abt - Hagiografieën - Legenda Aurea - Attributen

Abt

Antonius de Grote van Egypte, ook wel Antonius Abt, Antonius de Kluizenaar, of Antonius met het Varken genoemd, werd geboren in 251 of 252, de tijd dat het christendom nog een verboden godsdienst was.
Hij was de zoon van welgestelde ouders uit Kome, het huidige Qiman el-Ar in Egypte.
Na hun dood nam hij de zorg voor zijn jongere zusje op zich en hoorde hij, ongeveer twintig jaar oud, de evangelietekst:
Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit, en geef de opbrengst aan de armen; dan zult u en schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.
(Matteüs 19,21)
Antonius verliet daarop het ouderlijk huis om zich aan de ascese te wijden.
Hij vermaakte 50 hectare land aan zijn buren, schonk de rest van zijn vermogen, behalve wat hij noodzakelijk achtte voor hem en zijn zusje, aan de armen en zocht als monachos, letterlijk eenzame (ons woord monnik stamt er vanaf) de eenzaamste plaatsen op, waar, zo meende men, de te bestrijden duivels en demonen wonen.
Eerst vertoefde hij ergens in de omgeving van zijn geboortedorp, later in een grafspelonk in de Libische woestijn.
Hij nam slechts het allernoodzakelijkste voedsel tot zich en bestreed in de demonen de boosheid in zichzelf om zo tot volmaaktheid te komen.
Antonius was hierin niet uniek, vele eremieten waren hem daarin voorafgegaan.
Spoedig kreeg Antonius vele bewonderaars die zich bij hem aansloten.
Dat was iets nieuws.
Tot dan toe probeerden eremieten als Paulus van Thebe volstrekt alleen de volmaaktheid te bereiken, nu gebeurde dat in een gemeenschap die zich ook dienstbaar maakte aan de samenleving.
Juist als monnik hielp Antonius vervolgde medechristenen, armen en zieken, gaf hij raad aan wie dat vroeg, correspondeerde met keizers en bestreed nog op hoge leeftijd ketters.

Hagiografieën

Er zijn vele bronnen die het leven van Antonius Abt beschrijven, waarvan de drie belangrijkste zijn:
  • Vita Antonii (357)
    Geschreven door Athanasius die Antonius gekend heeft. Vertaald en stukgelezen, bracht het ontelbaren te Rome, Milaan en Trier tot de beoefening van ascese en contemplatie, onder wie Augustinus. Een groot deel van het boek wordt gevormd door de preek over de duivels, die door Antonius werd gehouden als instructie aan zijn monniken, waarin menselijke boosaardigheden als demonen uit de holen van het onderbewustzijn worden gedreven: Freud avant-la-lettre.
  • Vitae Patrum
    In de middeleeuwen meestal Vitas patrum of Vitaspatrum gespeld, in het Nederlands bekend als Vaderboeck, is een overkoepelende naam van verschillende teksten uit de hagiografische literatuur, daterend uit de vroege dagen van het christelijke monnikendom van de 4e eeuw.
  • Legenda Aurea
    Jacobus de Voragina wijdt hoofdstuk 20 aan hem en volgt daarin grotendeels Athanasius (zie onder).
Volgens een biografie over de eremiet Paulus van Thebe uit de 4de eeuw heeft Antonius deze Paulus eens bezocht in de Thebische woestijn, terwijl zij door raven van brood werden voorzien.
Toen Paulus op 113-jarige leeftijd overleed, kwam Antonius terug om met hulp van twee leeuwen zijn lichaam te begraven.
Nog latere werken bevatten steeds meer legendarisch materiaal.
Zo is er een verhaal over een demonische koningin die Antonius naakt probeerde te verleiden.
Antonius doorzag haar en riep Jezus aan, waarop de koningin in een pikzwart varken veranderde.

Van Antonius stamt het eerst bekende dubbelklooster, naast het mannenconvent was er ook een convent voor vrouwen dat afhankelijk was van het mannenconvent.
Zijn zus was daar de abdis.

Antonius stierf op 17 januari 356 in de Egyptische woestijn, dus 104 of 105 jaar oud, nadat hij zijn dood had voorspeld en aan twee trouwe leerlingen bevolen had hem in alle stilte te begraven, om verering bij zijn graf te voorkomen.
Vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaard in de St.Julien te Arles, maar de abdij St.Antoine bij Grenoble beweert ook relieken van hem te hebben.

Legenda Aurea



Antonius komt van ana hoog, en tenens, houdend en betekent: die zich vasthoudt aan het hogere en de wereld veracht.. Want hij versmaadde de wereld, die onrein is, zonder rust, vergankelijk, vol bedrog, en erg bitter. Daarover zegt Antonius: 'O wereld zo onrein, wat raas je toch? Waarom wil je ons op de proef stellen? Je wilt ons vasthouden, dus je vlucht; wat heb je gedaan, dat je zo verhard bent? Waarom ruil je niet met zoetheid; en ben je nog steeds bitter en is je zoetheid alleen van buiten.

Het leven van Antonius heeft Athanasius beschreven. Antonius was twintig jaar, toen hij in de kerk hoorde voorlezen: 'Wil je volmaakt zijn, ga dan heen en verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen.' Daarop verkocht hij al zijn goederen en verdeelde het onder de armen en begon een leven in eenzaamheid . Toen moest hij lijden door ontelbare boosaardige verzoekingen.

Eens had hij met de kracht van het geloof de duivel overwonnen, die met lijfelijke lust verzoekt; toen verscheen de duivel in de gedaante van een zwart kind en wierp zich voor hem neer en sprak 'Jij hebt mij overwonnen.' Want Sint Antonius had God gebeden dat de duivel hem onkuisheid zou laten zien die jongemannen najagen . En toen hij hen aldus zag in de gedaante van een zwart kind, sprak hij 'Ik heb je in een schandelijke gedaante gezien, ik ben voortaan niet meer bang voor jou.'

Eens lag Antonius in een grafkamer, toen er een grote schare boze geesten op hem afkwam, die sloegen en kwelden hem zodanig, dat zijn knecht hem voor dood op zijn schouders wegdroeg. En al zijn vrienden verzamelden zich rondom hem en beweenden hem als ware hij dood. Maar toen de anderen in slaap vielen, werd Antonius wakker en droeg zijn knecht op hem weer naar de grafkamer te brengen. Dus lag hij neergestrekt door de pijn van zijn wonden, maar met de kracht van de geest tergde hij de duivel wederom tot een strijd. Toen verschenen de boze geesten in velerlei gruwelijke dierengestaltes en kwelden hem jammerlijk wederom met hun horens en tanden en klauwen. Maar plotseling kwam er een heldere lichtstraal en verjoeg de duivels volledig; en Antonius werd direct gezond. Toen begreep hij dat Christus aanwezig was en sprak 'Lieve Jezus, waar was jij, dat je de eerste keer hier niet aanwezig was om mij te helpen en mijn wonden te genezen?' Toen antwoordde onze Heer en sprak 'Antonius, ik was bij jou, maar ik verlangde ernaar toe te kijken bij jouw strijd, nu echer, omdat je zo mannelijk hebt gestreden, wil ik jouw naam groot maken in de wereld.'

Sint Antonius was vol van goddelijke liefde: toen Maximianus de keizer die christenen doodde, ging hij naar de martelaren, opdat hij met de anderen zou worden gemarteld. En hij was zeer bedroefd dat hem de kroon der martelaren niet werd gegeven.

Eens ging Antonius naar een andere woestijn, toen hij een zilveren schaal op de weg zag liggen. Toen dacht hij bij zichzelf 'hoe komt die zilveren schaal hier, er is geen spoor van mensen te zien? Zou een reiziger hem hebben verloren, dan zou hij hem wel gemist hebben, zo groot is hij; o jij kwade geest, het is jouw list, maar mijn wil zul je nooit knakken. Toen verdween de schaal als rook. Daarna vond hij een grote klomp puur goud, daarvoor vluchtte hij, alsof het vuur was. Hij vluchtte naar een berg. Daar woonde hij twintig jaar en deed talrijke wonderen en tekens.

Eens was hij door de geest in vervoering geraakt en zag de hele wereld met strikken overspannen die in elkaar waren geknoopt. Toen schreeuwde hij en sprak 'O Heer wie kan deze strikken ontwarren?' Toen hoorde hij een stem die sprak 'Deemoed'.

Eens kwamen de engelen en voerden Antonius hoog door de lucht, daar waren de duivels ook die hem tegen wilden houden, ze verweten hem allerlei misdaden, die hij sinds zijn jeugd had gedaan. Spraken de engelen 'Aan de zonden moeten jullie niet denken, want ze zijn door de barmhartigheid van God uitgewist, weten jullie echter zonden die hij heeft gedaan sinds hij monnik is geworden, noem die dan.' Dat konden de duivels niet zeggen; toen droegen de engelen hem ongehinderd naar de hemel en weer naar beneden.

Sint Antonius zegt over zichzelf 'Eens zag ik de duivel in reuzengestalte, die werd steeds groter en sprak 'Antonius, zie, ik ben de kracht en de wijsheid van God, wat wil je dat ik je geef? Toen spuwde ik ik hem in het gelaat en weerde me krachtig en wapende me met de naam van Christus: onmiddellijk was hij verdwenen.' Intussen verscheen de duivel hem zo groot, dat het leek alsof hij met zijn hoofd de hemel aanraakte. Antonius vroeg hem wie hij was. Hij antwoordde: 'Ik ben de Satan, en wil graag weten, waarom de monniken tegen me zijn en de christenen mij vervloeken.' Sprak Antonius 'Daar doen ze goed aan want ze worden door jouw listen veel lastig gevallen.' Antwoordde de duivel 'Ik val ze volstrekt niet lastig, ze brengen elkaar in verwarring. Ik echter ben helemaal zwak geworden, want Christus regeert in alle landen.'

Een wachter zag Antonius eens zo vrolijk met zijn broeders, dat hij zich daar aan ergerde. Toen riep Antonius hem en zei 'Neem een pijl en span je boog.' Dat deed de wachter, maar Antonius liet het hem nog eens en voor een derde keer doen. Toen zei hij 'Als ik de boog zo vaak span breekt hij.' 'Zo is het ook met de dienst aan God', sprak Antonius, 'Als wij ons inspannen met onze matiging, dan zouden we allang gebroken zijn. Daarom staat het vrij, dat wij soms van onze strengheid afzien.' En zo ging die gesticht weer weg.

Iemand vroeg aan Antonius 'Wat moet ik doen om God welgevallig te zijn?' Hij antwoordde 'Waar je ook gaat, heb God voor ogen; wat je ook doet, toon dat met de getuigenis van de Heilige Schrift, waar je eenmaal verblijft, ga daar niet zo snel meer vandaan. Houd je aan deze drie, dan wordt je zalig.'

Een abt vroeg Sint Antonius wat hij moest doen. Hij antwoordde hem en zei 'Bouw niet op je eigen gerechtigheid; wees matig met eten en met spreken; heb geen pijn om dingen die voorbijgaan.'

Antonius zei 'Zoals vissen sterven, als ze op het droge komen, zo verliezen monniken hun rust als ze uit hun cel komen en bij de wereldburgers wonen.' 'Wie in eenzaamheid zit en rust, mist een drievoudige strijd: zien, horen en spreken brengen hem niet meer in verwarring, hem resteert nog een strijd, tegen zijn hart.

Enkele broeders gingen met een grijze man Sint Antonius bezoeken. Toen Antonius hun zag, sprak hij tot de broeders 'Jullie hebben een goede metgezel gehad in deze oude vader.' En zei tegen de grijze man 'Vader, je hebt goede broeders meegebracht.' Daarop antwoordde de oude 'goed zijn ze, maar hun woning heeft geen deur; en wie dat wil, gaat naar de stal en laat zijn ezel los'. Dat zei hij hierom, omdat ze het hart op de tong hadden.

Antonius zei 'Je moet weten: er zijn drie bewegingen van lijfelijke lust, een natuurlijke, een van weelderig eten, een van de duivel.'

Een broeder had zich van de wereld gekeerd, maar niet helemaal, omdat hij heimelijk een deel van zijn goederen behield. Tot hem sprak Antonius 'Ga heen en koop vlees'. En hij ging heen en kocht vlees, maar terwijl hij ermee onderweg was, vielen honden hem aan en beten hem. Zei Antonius tegen hem 'Wie de wereld afzegt, maar toch wereldse goederen wil hebben, die wordt zo door duivels bevochten en verscheurd.'

Eens kwam Antonius na lange tijd aan in de eenzaamheid; toen zei hij 'Heer, ik wil graag zalig worden, maar mijn gedachten staan dat niet toe.' Dus stond hij op en ging verder, daar zag hij iemand zitten te werken, en daarna opstaan en bidden; dat was een engel, die tot hem sprak 'Doe hetzelfde, dan ben je gered.'

Eens hadden de broeders hem gevraagd naar het lot van de zielen. De nacht daarop hoorde hij een stem die zei 'Sta op, ga naar buiten en kijk.' Hij zag toen een lange gruwelijke man, zijn hoofd beroerde de wolken; hij had zijn armen uitgestrekt, daarmee hield hij sommigen tegen, die met vleugels naar de hemel wilden vliegen; anderen echter vlogen verder en hij kon hun niet tegenhouden. En Antonius werd er erg blij van, maar met droefheid gemengd; en begreep dat het zielen waren, die opwaarts wilden gaan en Satan hield hun tegen: de zondaars stiet hij naar beneden, tegen de heiligen echter kon hij niets beginnen, en was daar zeer bedroefd om.

Eens toen Antonius met de broeders werkte, keek hij naar de hemel en zag een heel droevig gezicht. Hij knielde neer en bad tot God dat hij de toekomstige plaag zou afwenden. De broeders vroegen hem welke dat zou zijn; toen antwoordde hij met geween en gezucht dat de wereld onuitsprekelijke boosheid bedreigt en zei 'Ik zag het altaar van God omgeven door een grote schare paarden die alles platstampten met hun hoeven. Dat betekent dat het ware geloof over de massa wordt verwilderd, en mensen zullen net als deze dieren het heiligdom van Christus betreden; en de stem van de Heer sprak: Ze zullen mijn altaar onteren'. Na ruim twee jaar braken de Arianen met de kerk en verstoorden de eenheid. Ze bezoedelden de kerken en gebedshuizen en slachten de christenmensen op de altaren als schapen.

In die tijd was er een hertog in Egypte, Ballachius genaamd, die een Ariaan was en de christenen erg vervolgde.. Hij liet nonnen en monniken zich uitkleden ten overstaan van het volk om hun naakt te geselen. Aan hem schreef Sint Antonius 'Ik zie de toorn van God over jou komen: laat daarom de christenen zonder pijn, zodat Gods toorn jou niet treft, die spoedig jouw ondergang bewerkstelligt.' Toen die onverlaat de brief las, dreeg hij er de spot mee, spuwde erop en gooide hem op de grond; de bodes echter, die de brief hadden gebracht, liet hij harde slagen toebrengen; en antwoordde Antonius op zijn beurt 'Omdat jij je blijkbaar grote zorgen maakt om de monniken, zal de hardheid van mijn wraak ook over jou komen'. Na vijf dagen wilde de hertog zijn paard bestijgen dat heel tam was: toen beet het hem en wierp hem op de grond, en verstampte en brak zijn beenderen, zodat hij na drie dagen stierf.

Sommige broeders verlangden naar de heilzame leer van Sint Antonius, toen sprak hij 'Jullie hebben gehoord dat onze Heer gebiedt dat wie jou op de ene wang slaat, hem ook je andere aanbiedt.' Zij antwoordden 'Dat kunnen wij niet volbrengen.' Zei Antonius 'Onderga dan de ene slag geduldig.' Zij antwoordden 'Dat kunnen we ook niet doen.' Zei hij: 'Heb dan de wil liever geslagen te worden, dan zelf te slaan.' 'Dat is ook te moeilijk voor ons.' Toen zei Antonius tot zijn leerlingen 'Maak voor de broeders een drankje, want ze zijn heel zwak.' En tot hen zei hij 'Jullie doen alleen moeite met gebed'. Dit leest men in het boek van de kerkvaders . Sint Antonius werd in leeftijd 105 jaar. En toen hij doodging, kuste hij zijn broeders en scheidde in vrede van hen naar God. Dat was in de tijd van Constantijn, die rond het jaar 340 aan de heerschappij kwam.
(Legenda Aurea 21,1-122)

Attributen

Het varken, teken van vruchtbaarheid, aarde, ontucht en de duivel werd het bekendste attribuut van Antonius.
Als monnik wordt hij gewoonlijk afgebeeld met een lange gespleten baard, met de monnikskap van de antonieten en een T-vormige staf, ook Tau-staf geheten, symbool van toekomstig leven (de letter tau is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet) en bisschopsstaf.
Als eremiet draagt hij meestal een belletje om de demonen te verdrijven.
Als bestrijder van besmettelijke ziekten, 'antoniusvuur', draagt hij een fakkel.
Soms vergezellen hem doodshoofd, boeken of een kaars als toespeling op de vanitas, de ijdelheid.

Hij is patroonheilige van vele beroepen, zoals armen- en ziekenverzorgers, ridders, schutters, boeren, schilders (omdat penselen van varkenshaar zijn), doodgravers, allen die beheksing vrezen en het vee.
Zijn feestdag, vrijwel altijd de sterfdag van een heilige, is dus op 17 januari.
Er bestaat een oud gezegde: Sint-Antoon en Sint-Sebastiaan, komen met ’t hardste van de winter aan.

In Nederland bestond een oud gebruik op die dag varkensvlees uit delen aan de armen en bedevaarten te houden, bv. in Bergen-Ayen, Chaam, Esch en Schijf.
Vele kerken zijn er naar hem genoemd, bv. in Nijmegen (Dennenstraat), Wijchen en Malden.
Hij behoort tot de zogenaamde pestheiligen.