Paul Verheijen

TITIAAN

Johannes van Alexandrië

Milddadige aalmoezenier

Jacobus de Voragine besteedt in zijn Legenda Aurea uitgebreid aandacht aan hem in hoofdstuk 27.
Johannes van Alexandrië die ook wel de Aalmoezenier of de Milddadige wordt genoemd, leefde volgens hem rond 605 in de tijd van keizer Phocas.
Dikwijls hoorde men Johannes bidden in geestverrukking met de woorden: 'Ja, ja, goede Jezus, laten we eens zien wie er wint: ik door uit te delen of U door aan te leveren.'

Andere bronnen vermelden dat Johannes dit uitdelen tot zijn dood bleef doen, ook nadat hij op de vlucht voor de Perzen naar Cyprus moest vluchten.
Zijn relieken bevinden zich in de kathedraal van Bratislava.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op 23 januari.

Titiaan schilderde Johannes zoals hij bekend staat: als aalmoezenier, dus de aalmoezen schenkende milddadige heilige.
We zien een oude man met lange witte baard in bisschoppelijke kleding.
Met zijn linkerhand houdt hij een boek vast.
Zijn kruisstaf wordt vastgehouden door Johannes' betaalmeester (?) omdat Johannes met zijn rechterhand een aalmoes uitdeelt aan de arme man.

Onder de knop 'Lees meer' zijn vier fragmenten uit de Legenda Aurea te lezen als voorbeeld van de milddadigheid van Johannes.
Jacobus de Voragine eindigt zijn hagiografie over Johannes met een zeer wonderlijk voorval na zijn dood.



Heren
Hij duidde de armen altijd aan als zijn heren, en daar komt het vandaan dat de hospitaalridders de armen hun heren noemen. Hij riep al zijn dienaren bij elkaar en zei hun: ‘Ga de hele stad door en maak voor mij een lijst van al mijn heren, zonder uitzondering.' Maar omdat ze hem niet begrepen, zei hij: 'Die jullie armelui en bedelaars noemen, geef ik de erenaam heren en helpers. Want zij kunnen ons werkelijk helpen en ons het hemels koninkrijk schenken.’
(Legenda Aurea 27,6-11)
De arme pelgrim
Een arme man kwam gekleed als pelgrim bij Johannes en vroeg om een aalmoes. Johannes riep zijn betaalmeester en zei: ‘Geef hem zes geldstukken.' Hij nam ze aan en ging weg; hij trok andere kleren aan, ging weer terug naar de patriarch en vroeg hem om een aalmoes. De patriarch riep zijn betaalmeester en zei: ‘Geef hem zes goudstukken. De man nam ze in ontvangst, maar nadat hij was weggegaan, zei de betaalmeester tegen de patriarch: 'Bij uw gebeden *, vader, die kerel heeft vandaag door van kleren te wisselen twee keer geld gekregen.' De heilige Johannes deed alsof hij van niets wist. De man verkleedde zich nogmaals en ging voor de derde keer naar de heilige Johannes om een aalmoes te vragen. Toen stootte de betaalmeester de heilige Johannes aan en beduidde hem dat het die man was. De heilige Johannes antwoordde hem: 'Ga en geef hem twaalf geldstukken. Misschien is het wel mijn Heer Jezus Christus, die mij op de proef wil stellen of deze man eerder genoeg heeft van het ontvangen dan ik van het geven.’
(Legenda Aurea 27,95-107)
* Per orationes tuas is een formule die gebruikt wordt bij het afleggen van een eed.

De kostbare deken
Een rijke man zag dat de heilige Johannes op zijn bed armzalige lappen had liggen, omdat hij alles aan de armen had gegeven. Hij kocht een uiterst kostbare deken en schonk die aan de heilige Johannes. Maar toen Johannes er 's nachts onder lag, kon hij de hele nacht de slaap niet vatten. Hij moest er steeds aan denken dat driehonderd van zijn heren voor dit bedrag onder de wol gestopt konden worden. Hij jammerde de hele nacht en zei: ‘Hoeveel mensen hebben zich vandaag zonder eten, hoeveel drijfnat van de regen op de markt, hoeveel klappertandend van de kou te slapen gelegd? En jij. jij verorbert dikke vissen en rust uit in een slaapkamer, en je verwarmt je met al je zonden ook nog onder een deken van zesendertig geldstukken. Een nederige Johannes zal zich hiermee geen tweede keer bedekken.' Zo gauw het ochtend was geworden, liet hij die deken verkopen en deelde hij het geld uit aan de armen. Dat kwam de rijke man ter ore. Hij kocht de deken voor de tweede keer en gaf hem aan de heilige Johannes met het verzoek hem niet meer te verkopen, maar er zelf onder te slapen. Johannes nam hem in ontvangst, maar liet hem opnieuw verkopen en het geld uitdelen aan zijn heren. Toen de rijke man het hoorde, ging hij weer uit om de deken terug te kopen. En hij bracht hem weer naar de heilige Johannes en zei schertsend tegen hem: ‘We zullen eens zien wie het eerst moe zal worden, jij van het verkopen of ik van het terugkopen.' En zo kon Johannes in alle vriendschap de rijke, om zo te zeggen, afoogsten. Hij zei dat iemand die alles aan de armen wilde geven op zo'n manier de rijken kon uitschudden zonder te zondigen. Zo iemand boekt immers twee successen. Een: hij redt hun zielen, en twee: hij ontvangt hier zelf een niet gering loon voor.
(Legenda Aurea 27,124-135)
De zondige vrouw vergeven
Toen hij, verzwakt door koorts, zijn einde voelde naderen, zei hij: ‘Ik dank U, God, dat U in uw goedheid de smeekbede van mijn armzalige persoon hebt verhoord, dat men bij mijn dood maar één goudstukje bij mij zou vinden. Ik bepaal dat dit aan de armen moet worden gegeven.’ Zijn eerbiedwaardige lichaam werd in een graf gelegd waarin de lichamen van twee bisschoppen waren bijgezet; die lichamen schoven op wonderbare wijze voor de heilige Johannes opzij en maakten een plaats in het midden vrij.*
Enkele dagen voor zijn dood zei de heilige Johannes tegen een vrouw die een verschrikkelijke zonde had begaan, een zonde die zij nooit aan wie dan ook zou durven biechten, dat zij die dan maar moest opschrijven - zij kon immers schrijven - en het briefje verzegeld aan hem moest geven. Hij zou dan voor haar bidden. Zij stemde ermee in. Ze schreef haar zonde op, verzegelde de brief zorgvuldig en gaf hem aan de heilige Johannes. Maar enkele dagen daarna werd de heilige Johannes ziek en ontsliep in de Heer. Zodra de vrouw hoorde dat hij overleden was, dacht zij dat ze veracht en te schande gemaakt was, omdat ze veronderstelde dat hij de brief aan iemand had afgegeven, waardoor die in vreemde handen was geraakt. Zij ging naar het graf van de heilige Johannes en riep onder een vloed van tranen: ‘Ach, wee mij! Terwijl ik dacht dat ik aan de schande ontkwam, ben ik juist voor iedereen te schande gemaakt.' En terwijl zij bittere tranen schreide en de heilige Johannes smeekte haar te wijzen waar hij haar brief had gelaten, zie, daar trad de heilige Johannes uit zijn graf tevoorschijn, in bisschoppelijk ornaat en geflankeerd door de twee bisschoppen die daar met hem rustten, en zei tot de vrouw: ‘Waarom valt u ons zo lastig en laat u mij en deze heiligen die hier bij mij zijn niet met rust? Zie, onze gewaden zijn helemaal nat van uw tranen!’ En hij reikte haar haar schriftelijke bekentenis, verzegeld als tevoren, en zei: ‘Bekijk dit zegel, maak uw brief open en lees.' Ze opende hem en ontdekte dat haar zonde helemaal uitgewist was. En ze vond er het volgende geschreven: ‘Omwille van mijn dienaar Johannes is uw zonde uitgewist.!' Toen bracht zij God uitbundig dank en keerde de heilige Johannes met de twee andere bisschoppen in hun graftombe terug.
(Legenda Aurea 27,162-179)
* Plaats maken in je graf voor een andere heilige is een motief dat we ook vinden bij de graflegging van Stefanus als Laurentius voor hem opzij gaat liggen (Legenda Aurea 108,83) en een legende van Driekoningen weet dat Melchior en Balthasar opschoven in hun graf toen Melchior erbij wilde liggen.

Titiaan (Tiziano Vecelli of Vecellio) (circa 1487 – 1576)
San Giovanni Elemosinario (circa 1550)
Olieverf op doek, 229 x 156 cm
Venetië - San Giovanni Elemosinario
2016 Paul Verheijen / Nijmegen