Paul Verheijen

SEBASTIANO CONCA

Clara van Montefalco

Clara van het Kruis

Clara werd in 1258 geboren en trad als zesjarig meisje in bij de augustinessen, waar haar zus, de zaligverklaarde Johanna (22 november), abdis was. Na haar overlijden in 1291 werd Clara abdis. Door veel te bidden en te vasten, slapen op de grond en het dragen van een paardenharen onderkleed, ontstond een mystieke band tussen haar en de Drie-eenheid. Die band was dermate hecht dat zich in haar ingewanden drie duidelijk zichtbare bolronde gezwellen vormden. Jezus verscheen aan haar als pelgrim gekleed met het kruis op zijn schouder om dat in haar hart te planten. Na haar dood in 1308 bleken de gezwellen drie galstenen te zijn van gelijke grootte en gewicht. Bovendien werd op haar hart een litteken in de vorm van een groot kruis gevonden. Deze vondst wordt op de speciale feestdag 30 oktober herdacht onder de noemer Impressio crucifixi in corde Santae Clarae. Gelovigen spoedden zich naar Montefalco, zeker toen bleek dat haar lichaam niet tot ontbinding bleek over te gaan. Dit lichaam ligt opgebaard in de naar haar genoemde kerk in Montefalco.

Het Roomse Martelaarsboek herdenkt haar op 17 augustus:
Te Montefalcone in Umbrië de heilige maagd Clara, een augustines. De geheimen van 's Heren lijden zijn in haar lichaam afgebeeld en de gelovigen vereren die met zeer grote godsvrucht. Paus Leo XIII heeft haar op de lijst van de heilige maagden geschreven.
Talloos zijn de berichten van wonderbaarlijke gebedsverhoringen. Zo zou zij een vijfjarig jongetje dat thuis dodelijk was verongelukt onder omvallend huisraad, tot het leven hebben teruggebracht. Ook bij een verdronken meisje van zes jaar wist zij weer de levensgeesten op te wekken. Een plaatsgenoot had van zijn geboorte af mismaakte voeten, waardoor hij op eigen kracht niet overeind kon blijven staan. Hij nam zijn toevlucht tot het graf van Clara, en na enkele ogenblikken van intens gebed voelde hij hoe er kracht kwam in zijn voeten, en voor het oog van de verbijsterde aanwezigen bleek hij ineens te kunnen lopen. Een andere plaatsgenoot had een verlamde linkerknie, zodat ook hij niet kon staan. Hij werd van zijn kwaal verlost op het graf Clara.

Clara werd pas in 1742 zaligverklaard en nog later in 1881 heilig. Ter gelegenheid van die zaligverklaring werd de derde kapel links, de Cappella Mauro, in de Sant'Agostino in Rome aan haar gewijd en maakte Sebastiano Conca het hier afgebeelde schilderij.

Devotiestuk

Sebastiano Conca, gevormd in de Napolitaanse barok maar academisch verfijnd in Rome, mengt in dit doek classicistische, academische compositie met Napolitaans-barokke dramatiek: een heldere focus op de heilige en Christus, een schuin oplopende compositielijn en een theatrale lichtval die de kernfiguren uit de schemering tilt.
Conca beeldt het beroemdste moment uit Clara’s leven: Christus verschijnt als lijdende pelgrim met kruis en doornenkroon en zegt dat Hij een sterke plaats zoekt om zijn kruis te planten. Clara biedt haar hart aan als die plaats. Rondom ondersteunen engelen de hemelse sfeer. Drie lelies verwijzen naar haar maagdelijkheid en verering van de Drie-eenheid.
Een uitgesproken chiaroscuro bundelt het licht op de gezichten en handen. De engelen en de achtergrondarchitectuur blijven deels in halfschaduw zodat het tafereel als visioen oplicht.

Als altaarstuk stuurt het werk de devotie: Clara’s mystiek van het Heilig Hart wordt tot model voor augustijnse innigheid. In de context van haar recente zaligverklaring werkte Conca’s verbeelding ook als visueel catechese‑instrument: het hart als plaats van inwoning van Christus en als bereidheid om het lijden (het kruis) te dragen. De keuze voor een visionair moment sluit aan bij 18e‑eeuwse Romeinse smaak voor affectieve, gemakkelijk leesbare devotiestukken.
Sebastiano Conca (1680-1764)
Apparizione di Cristo a Santa Chiara da Montefalco (1742-51)
Olieverf op doek
Rome - Basilica Sant'Agostino (Cappella Chiara di Montefalco)
2016 Paul Verheijen / Nijmegen