Frederik de WijzeKeurvorst Frederik III van Saksen (1463-1525), bijgenaamd de Wijze, ondernam in 1493, in gezelschap van verscheidene andere Duitse edelen, een pelgrimstocht naar het Heilig Land. Hierbij werd hij in Jeruzalem tot ridder in de Orde van het Heilig Graf geslagen. In eigen land nam hij Lucas Cranach de Oude als hofschilder in dienst. Hij gaf ook opdrachten aan Albrecht Dürer, waaronder het hier afgebeelde drieluik. Hij staat bekend als een groot en enthousiast verzamelaar van Heiltum. Hij bouwde een enorme collectie relieken op in de Slotkerk van Wittenberg, die uit duizenden heilige objecten bestond. Die collectie telde op een gegeven moment meer dan 5.000 relieken. Hiermee wilde hij zijn vroomheid tonen, zijn politieke reputatie verhogen en pelgrims naar Wittenberg trekken. De relieken werden op vaste momenten per jaar aan het publiek getoond in de Slotkerk. Maarten Luther was het fel oneens met de handel in en verering van relieken en uitte hier kritiek op. Hoewel ze dus verschilden van inzicht over dit geloofsonderwerp, bleef Frederik de Wijze als keurvorst een beschermheer van Luther. |
TüchleinDe drie delen van dit retabel zijn geschilderd op Tüchlein, waarbij verf op basis van dierlijke lijm (lijmverf) rechtstreeks is aangebracht op een onbehandeld of dun gelijmd linnen doek. Het is niet duidelijk waarom de Tüchlein-techniek werd toegepast op een retabel, aangezien deze doorgaans in een kerkelijke context werd gebruikt voor verplaatsbare decoraties, zoals processievaandels of wandkleden voor de vastentijd.De techniek maakte het werk in elk geval zeer kwetsbaar. Vooral de lichte tinten, vermengd met wit, hebben hieronder te lijden, waardoor op veel plaatsen het doek direct blootligt. Bovendien zijn op het middendoek ingrijpende retoucheringen aangebracht. Dat vooral het bovenste gedeelte aanzienlijke schade moet hebben opgelopen, blijkt al uit het onhandige bijsnijden van de randen, waardoor twee van de dienende engelen zijn beschadigd. Ook de achtergrond is vermoedelijk ingrijpend overgeschilderd. Die toont links de timmerwerkplaats van Jozef en rechts de daarachter gelegen binnenplaats. Oorspronkelijk had het hoofdgebouw daar rechte dakranden en mogelijk een schilddak – in plaats van de op Vlaamse trapgevels lijkende gevels – terwijl de hoeken van de bovenste verdieping waren voorzien van veelhoekige erkers met spitsvormige bekroningen. Een ander probleem bij dit werk is of Albrecht DÜrer ook de schilder is geweest van het middendoek. Er wordt ook gewag gemaakt van een zekere 'Meester Jan' die werkzaam was aan het Saksische Hof van Frederik de Wijze. Dürer zou dan later (1503-04?) twee doeken met Antonius Abt en Sebastianus hebben geschilderd om van het doek met de Maagd Maria een triptiek te maken, wellicht in de nasleep van een pestepidemie: Antonius en Sebastianus zijn beiden pestheiligen. De heiligen zijn alledrie geschilderd in halffiguur en staan achter een balustrade waarop Dürer voorwerpen afbeeldde die waarschijnlijk symbolisch geïnterpreteerd moeten worden. Antonius Abt op het linker doek heeft zijn blik gericht op het Christuskind. Dürer heeft hem traditioneel geschilderd als een bebaarde oude man. Van Antonius Abt zijn geen nagelaten boeken bekend. Desondanks zien we een opengeslagen dik boek op de balustrade tegen een boekensteun staan. Antonius houdt het in zijn handen. Het boek staat dan mogelijk symbool voor de Bijbel, waaruit Antonius zijn inspiratie en kracht putte om verleidingen te weerstaan. Of het verwijst naar de monastieke wijsheid en de leefregels voor monniken, aangezien Antonius wordt gezien als de vader van het monnikenleven. Mogelijk symboliseert het boek de goddelijke wijsheid die hij door contemplatie en gebed in de woestijn verkreeg, ondanks dat hij ongetraind was in de klassieke filosofie. De demonen die Antonius teisterden worden afgeslagen door gewapende putti. Een engeltje brengt hem een ronde kroon. Sebastianus op het rechter doek wordt - op zijn krullend haar en een knotje bovenop het hoofd na - ook vrij traditioneel androgyn afgebeeld. Op de rechterzijde van zijn ontblote bovenlijf is een pijlwond te zien. Hier geeft hij blijk van zijn standvastige geloof door zich in gebed tot het kindje Jezus te wenden. Op zijn deel van de balustrade bevinden zich drie voorwerpen. In een glas half gevuld met water staat een stengel. Bronnen schrijven nogal tegenstrijdig dat het gaat om wilde sla of hysop. Ernaast ligt een stuk aluin. Het meest rechtse voorwerp is tot op heden niet geïdentificeerd vanwege de slechte staat van het doek. De voorwerpen moeten vermoedelijk in verband worden gebracht met de weduwe Irene die de wonden van Sebastianus verzorgde. Het zal gaan om een pijnverlichtende plant. Aluin werkt bloedstelpend. Een van de engeltjes die Sebastianus vergezellen, voorziet hem van een mantel en een hoofdband, terwijl twee andere de zalfpot brengen die Irene gebruikte om zijn wonden te behandelen. Op het grote midden doek ligt op de balustrade bij Maria op een lessenaar een getijdenboek opengeslagen. Op de linkerpagina is een heilige te zien die een bruin habijt draagt. Het is Clara aan wie het gebed Salve sponsa Dei virgo sacra, 'Wees gegroet, bruid van God, heilige maagd', was gewijd. |
ReliekhouderHet drieluik moet worden gezien binnen de context van de reliekverzameling van Frederik de Wijze. Relikwieën waren direct zichtbaar in de boekensteun bij Antonius, in de kroon die putti boven Maria's hoofd houden en in het borstsieraad dat door de putti boven Sebastianus wordt vastgehouden. Ze waren bezet met parels en gepolijste stenen die mogelijk afkomstig waren van een laatmiddeleeuws reliekbuste. |
|
Albrecht Dürer (1471-1528)
Dresden Altaar (±1504) Tüchlein, 114 x 97 cm (midden); 114 x 45 cm (zij elk) Dresden - Gemäldegalerie Alte Meister |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |