Paul Verheijen

TED FELEN

Kruiswegstaties

Dood én Opstanding

De kruiswegstaties van Ted Felen werden oorspronkelijk gemaakt voor de Maria‑ten‑Hemelopnemingskerk in Nijmegen en later overgebracht naar de Dominicuskerk. Ze zijn aangebracht in de smalle zijbeuken die als wandelgang fungeren, zodat gelovigen erlangs kunnen lopen en de kruiswegdevotie kunnen beoefenen.
Felen was een veelzijdige Nijmeegse kunstenaar (glazenier, schilder, mozaïek‑ en grafiekkunstenaar), die in zijn werk herhaaldelijk religieuze onderwerpen vertolkt. De kruisweg onderscheidt zich doordat Felen de gemoedstoestand van de gemartelde Christus centraal stelt, eerder dan een strak historisch‑narratief schema. Felen toont de menselijkheid van Jezus, vooral in diens ervaring van eenzaamheid, lijden en foltering.
De Dominicuskerk in Nijmegen is vanaf 1954 in gebruik en kenmerkt zich door een moderne kerk‑ en kunstbeleving. In de zijbeuken draagt de kruisweg van Felen bij aan de sfeer van contemplatie en medeleven.
Felen benadert de kruisweg niet alleen figuratief, maar ook expressief en psychologisch. Zijn staties benadrukken het mens‑zijn van Christus, zijn verlatenheid en het geweld dat hij ondergaat. Dit sluit aan bij de in de jaren ’60 opkomende denkbeelden van Edward Schillebeeckx en Bas van Iersel, die Felens kruisweg later als inspiratiebron gebruikten voor meditatieve bespiegelingen en preekreflexies.

Felen heeft twee extra staties toegevoegd aan de traditionele veertien.
De eerste extra statie is Getsemane en gaat aan de traditionele 14 staties vooraf. We zien Jezus in gebed voor zijn gevangenneming in de olijfhof. Deze statie fungeert als introductie op de lijdensweg en benadrukt de innerlijke spanning en overgave van Christus al voordat de via dolorosa daadwerkelijk begint.
De tweede extra statie is Verrijzenis, die als afsluiting achter de veertiende statie wordt geplaatst. Daarmee schuift Felen de kruisweg niet alleen naar een dood‑en‑opstanding‑cyclus. Hij sluit de lijdensweg expliciet aan op de paasboodschap van hoop en heil. Felen (of zijn opdrachtgever) ziet de kruisweg niet alleen als weg van het kruis, maar als een dramatische boog van Getsemane tot Verrijzenis, wat past bij de theologische accenten uit de jaren 60 van de vorige eeuw op lijden‑en‑opstanding samen.

Martin Bruins schreef voor De Gelderlander van 25 maart 1963 een recensie van Felens kruisweg. Onder de knop fragmenten hieruit.



Na de inzet met Christus in de Hof van Olijven vormen de drie volgende staties als het ware het preludium om het passieverhaal 'op gang' te brengen, maar reeds in de ontmoeting met Maria bereikt de schilder een hoogtepunt. Christus' intense blik schouwt als het ware over lijden en dood heen naar onpeilbare verten; Maria buigt voor het mysterie en aanvaardt het, zonder het te doorgronden.
Op de statie van Simon van Cyrene ontwaart men voor de tweede en tevens laatste maal de kruisbalk, een zeer opmerkelijk iets voor een kruisweg en een beperking welke de schilder zich bewust heeft opgelegd. Van nu af aan wordt het lichaam van Christus steeds feller rood; het drama groeit naar zijn climax. Men zie bijvoorbeeld 'De tweede val van Christus', op zich reeds een indrukwekkend schilderij.
Op de ontmoeting met de wenende vrouwen komen slechts twee vrouwenfiguren voor (die tezamen slechts één blok vormen), maar het lichaam van Christus wordt steeds roder, het fond steeds dieper blauw, wat onafwijsbaar aankondigt, dat het drama zijn hoogtepunt nadert. In de derde val onder het kruis wordt dit opnieuw benaderd: het vlammend rood van het lichaam contrasteert nog feller met het steeds donker wordende blauw van de nacht in de middag. Een aangrijpende voorstelling.
In de statie van Christus' ontkleding (met naast hem een naamloze figuur) is het rood van de passie geweken voor het koude wit-bleek van schamelheid, hulpeloosheid en schaamte. Een zinvolle anticlimax. De uitdrukking van Christus' gelaat is hier van een waarlijk hulpeloze, tragische menselijkheid. (En ook hier, evenals elders trouwens, geve men acht op het verloop van de abstracte omlijsting van de doornenkroon, die voortdurend 'meegaat' met de smartelijke voorstelling). In de dan volgende statie speelt de schilder het klaar om een voorstelling te geven van 'Christus wordt aan het kruis genageld' zonder dat een kruis zichtbaar is en, merkwaardig genoeg, zonder dat dit als een gemis wordt ervaren. Een gelaat is nauwelijks te onderscheiden, de handen vallen buiten de voorstelling, maar het corpus krimpt van de pijn, wordt van pijnscheuten doorvlijmd. Nu is het lichaam blauw geschilderd, het fond daarentegen rood. De voorstellingsreeks groeit onhoudbaar naar zijn apotheose. Deze wordt voor de eerste maal bereikt in de 'De dood van Christus', een waarlijk aangrijpende schildering, welker geweld u om zo te zeggen in het gezicht slaat. Christus is hier een reus, zoals Matthias Grünewald, een reus van lijdzaamheid. Zijn geweldige blauwe lichaam staat tegen een heelal van rood en vlammend oranje, waarin men meent de echo te horen weerkaatsen van Zijn vreselijke kruiswoord: "Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?" Ook de doornenkroon trekt zich nu geheel om hem samen, spint hem als het ware in, er is geen ontkomen'.

[...]
Kennelijk heeft de schilder zich vooral gegrepen geweten door Christus' ontzaglijke eenzaamheid, Zijn ontzettende godverlatenheid. Dat is duidelijk de reden geweest dat Felen de Christus zoveel mogelijk alleen heeft afgebeeld; slechts wanneer dat bepaald niet anders mogelijk was, ziet men een tweede, soms de aanzet van een derde figuur. Alle aandacht gaat dus bij voortduring uit naar de grote eenzame.
Er is nog iets wat deze staties gemeen hebben; elke voorstelling is als het ware gevat in een abstracte symbolische omlijsting van de doornenkroon, welke feller, vinniger wordt naarmate het gebeuren dit vraagt. Ook bij de eerste statie, de Hof van Olijven, is de omlijsting aanwezig, maar aangezien hier uiteraard nog van geen doornenkroon sprake kan zijn, wordt zij hier gevormd door olijftakken. Bij de laatste statie, de verrijzenis, wijkt deze doornenkroon uiteen; het lijden is verpletterd, de dood is overwonnen.

[...]
De kleur nu bij Felen is nooit naturalistisch, maar altijd symbolisch. De schilder gaat hierin zeer vrijmoedig te werk; de ene maal schildert hij het lichaam van Christus rood, een ander maal blauw. Daarmede wil natuurlijk niet gezegd zijn, dat het lichaam van Christus rood of blauw zou zijn, maar Felen tracht slechts de kleur mee te laten spreken om zijn bedoelingen te verduidelijken, te intensiveren. Het is zelfs onmogelijk die bedoelingen te doorgronden, wanneer men de kleur in zijn beoordeling betrekt. Op de eerste statie, de Hof van Olijven, heeft de kunstenaar duidelijk een avondstemming weergegeven, maar het is een stemming die naar de keel grijpt. Verpletterd van doodsangst ligt Christus op de grond, kronkelend als de worm waarmede de profeet hem vergeleken heeft: 'sicut vermis', een worm gelijk. Men voelt de aankondiging van een ontzagwekkend gebeuren.
Uit het lichaam van de dode Christus, dat rust in de schoot van Zijn Moeder, is alle felheid van kleur en passie geweken: grijs en blauw symboliseren berusting en dood. De voorstelling van Christus' graflegging is zeer origineel, maar vooral zeer ongewoon; de dode Christus lijkt hier welhaast een mummie. Nochthans is zij volkomen in overeenstemming met het bijbelverhaal, immers Christus was werkelijk gestorven en Zijn lichaam werd inderdaad in linnen gewikkeld. Zou de Kruisweg, zoals vroeger, eindigen met deze statie, dan zou men misschien bezwaar kunnen maken vanwege de uiterste troosteloosheid der verbeelding.
Gelukkig echter wordt zij gevolgd door die van de Verrijzenis, bekroning en zegelmerk van wat voorafging. Dit is waarlijk een glorieuze voorstelling; in een werveling van licht, van rood, oranje en geel licht stijgt de Christus onhoudbaar en onweerstaanbaar uit het graf, slaat Hij als het ware naar omhoog, naar de hemel, naar het leven. De doornenkroon wijkt nu uiteen, het lijden is verbrijzeld, de dood is overwonnen: Exultate! Jubilate!.

Ted Felen (1931-2016)
Kruiswegstaties (1963)
Olieverf op panelen, circa 90 x 180 cm elk
Nijmegen - Dominicuskerk (v/h Nijmegen - Maria ten Hemelopnemingkerk)
2016 Paul Verheijen / Nijmegen