Paul Verheijen

FRANCISCUS BORGIA

Goya & Maella

Jezuïet

Francisco de Borja werd geboren in 1510 als achterkleinzoon van de beruchte Borgiapaus Alexander VI (paus van 1492-1503), Hij bekleedde als hertog van Gandía ten zuiden van Valencia en onderkoning van Catalonië een hoge rang aan het hof van Karel V (1500-1558). Hij kreeg acht kinderen.
Toen keizerin Isabella (1503-1539) na complicaties bij de geboorte van haar zesde kind overleed, moest Franciscus haar identiteit vaststellen. Het gezicht van de schone keizerin was nauwelijks te herkennen. Voor Franciscus was dat een les over de ijdelheid van de wereld. Hij ging nog meer tijd besteden aan gebed en goede werken.

Toen ook zijn vrouw Eleonora de Castro in 1546 overleed, zei hij zijn kinderen vaarwel en werd jezuïet, doctor in de theologie en priester. Een hertog gewijd tot priester werd als sensationeel ervaren. Vriend en raadsman was hij van Ignatius van Loyola en Theresia van Avila. Omdat de Spaanse Inquisitie zijn Obras del cristiano verbood, vluchtte hij naar Portugal en later naar Rome. Hier werd hij in 1565 de derde generaal van de orde en een belangrijk figuur binnen de contrareformatie.
Franciscus overleed in 1572 en zijn relieken rustten oorspronkelijk in Rome, maar later in het professenhuis van de jezuïeten in Madrid dat in 1931 bijna geheel werd vernield. Hij werd in 1671 heiligverklaard en kreeg in het Roomse Martelaarsboek op de liturgische kalender twee dagen, 30 september en 10 oktober:
Te Rome de geboorte van de heilige priester-belijder Franciscus Borgia. Hij was generaal van het gezelschap van Jezus en een man, merkwaardig om zijn streng leven, de gave van het gebed, de verzaking aan het wereldse en het weigeren van kerkelijke waardigheden. Zijn feest viert men echter op 10 oktober.

Patronaatskapel

Tussen 1787 en 1788 sponsorden de nazaten van Franciscus Borgia de renovatie van de aan hem gewijde kapel in de kathedraal van Valencia (afbeelding inzet).
De eerste kunstenaar die aan de kapel werkte, was de Valenciaanse schilder Mariano Salvador Maella. Hij schilderde het hoofdwerk.
Later kreeg Goya de opdracht om de twee zijschilderingen te vervaardigen.
Op 16 oktober 1788 moeten de schilderijen al voltooid zijn geweest, want op die datum stuurde Goya de hertogin een rekening voor het werk ter waarde van 30.000 reales.

Exorcisme (rechter schilderij)

Dit schilderij van Goya vertelt een van de meest populaire thema's in de jezuïeteniconografie. De setting is een donkere kamer, slechts verlicht door een rond raam dat half bedekt is met een gordijn. Rechts, op een voorzichtige afstand van een zieke man, zien we Franciscus Borgia, gekleed in een eenvoudig zwart habijt en met een kruisbeeld in zijn hand alsof het een wapen is, het bloed van Christus spuitend om de demonen aan te vallen die de stervende godslasteraar in hun macht hebben. In het gezicht van Franciscus, omlijst door een halo, is angst af te lezen.
Het beeld is volledig doordrenkt met de meest obscurantistische Spaanse traditie en heeft grote populariteit genoten sinds de fantastische monsters die zo typerend zijn voor Goya's verbeelding, voor het eerst in dit werk verschijnen. De kunstenaar heeft de putti, die gewoonlijk zijn religieuze figuren vergezellen, vervangen door brute monsters, waarmee hij zijn fantasie de vrije loop liet, een voorbode van het werk van zijn latere jaren.
Ook het lichaam van de stervende man vertoont sporen van de stijl die hij gebruikte bij de uitvoering van de figuren in zijn 'Zwarte Schilderijen'. Zijn borst is gezwollen en draagt ​​de demon met wie hij strijdt om de ziel van de ongelukkige man. Zijn gezicht en de kleur van zijn huid hebben de uitstraling van iemand die al overleden is.

Confrontatie met dode Isabella (schilderij midden)

Dit werk is van de hand van Maella en laat het moment zien waarop Franciscus de dode Isabella moet identificeren wat voor hem een soort bekering opleverde.

Afscheid familie (linker schilderij)

Het schilderij links brengt een aanzienlijk aantal figuren samen die zich bij de poorten van het paleis hebben verzameld om afscheid te nemen van Franciscus Borgia. De compositie is horizontaal geplaatst, bijna als een fries. Desondanks heeft de kunstenaar verschillende dieptevlakken gecreëerd. Franciscus, omarmd door zijn zoon en erfgenaam, staat centraal in de afbeelding en vormt het middelpunt van de blik van de andere familieleden en bedienden op het schilderij. Goya gebruikt een reeks treden om zijn figuren boven de toeschouwer te positioneren, waardoor hun monumentaliteit wordt versterkt. Het zou de trap kunnen zijn die naar het paleis van de hertogin in Gandía leidt, afgebeeld met enige artistieke vrijheid.
De figuren lijken te zijn geschilderd naar levensstudies, misschien leden van de sociale kring van de Osuna's. Er is ook opgemerkt dat een van de mannen op de achtergrond mogelijk een zelfportret is.
De zeer donkere achtergrond accentueert het clair-obscur tussen de achtergrond en de figuren. De tranen die de wangen van veel aanwezigen bevochtigen, passen bij deze nogal duistere sfeer. De architectuur op de achtergrond versterkt het pathos van de scène.

Opvallend aan het werk is de inspanning die de kunstenaar heeft geleverd om texturen te creëren, met zorgvuldig uitgevoerde reliëfs en ribbels. Goya heeft ervoor gekozen zijn figuren te kleden in de mode van eind 16e, begin 17e eeuw.
Francisco José de Goya y Lucientes (1746-1828)
San Francisco de Borja dispidiéndose de su familia (links)
San Francisco de Borja asistiendo a un moribundo (rechts)
Olieverf op doek, 350 x 300 cm elk (1788)

Mariano Salvador Maella (1739-1819)
San Francisco de Borja frente al cuerpo de la Emperatriz Isabel (midden)
Olieverf op doek, 350 x 300 cm (1787)
Valencia - Kathedraal - Francisco Borgiakapel
2016 Paul Verheijen / Nijmegen