Paul Verheijen

AAD DE HAAS

Kruiswegstaties

Hetze

Deze kruiswegstaties van Aad de Haas vormen een van de meest bijzondere religieuze kunstwerken in Nederland uit de twintigste eeuw. Het werk is niet alleen van belang vanwege de artistieke kwaliteit, maar ook vanwege de spanning tussen vernieuwing en traditie die eraan ten grondslag ligt. In de schilderingen van De Haas komen devotie, expressie en moderniteit samen in een beeldtaal die voor haar tijd opvallend eigentijds was. Juist daardoor heeft deze kruisweg een uitzonderlijke plaats gekregen binnen de Nederlandse kerkelijke kunst.
De Haas kreeg kort na de Tweede Wereldoorlog de opdracht om de kerk van Wahlwiller te beschilderen. De Sint-Cunibertuskerk werd zo een totaal kunstwerk waarin architectuur en schilderkunst elkaar aanvullen. De kruiswegstaties maken deel uit van een groter decoratief en religieus programma, maar springen eruit door hun inhoudelijke en stilistische kracht. De Haas werkte in een tijd waarin de katholieke kerk nog sterk gehecht was aan traditionele vormen van religieuze kunst. Zijn aanpak week daar echter duidelijk van af. Hij koos niet voor een gladde, academische stijl, maar voor een expressieve en persoonlijk geladen beeldtaal.

De Haas schilderde niet de gebruikelijke veertien staties, maar zestien. Hij voegde aan het begin de Judaskus toe en aan het einde de verrijzenis. Daarmee verbreedde hij de klassieke kruisweg tot een volledig passieverhaal. Deze keuze is theologisch betekenisvol. De traditionele kruisweg eindigt meestal bij de graflegging, waardoor vooral het lijden en sterven van Christus centraal staan. De Haas daarentegen benadrukt dat het lijden niet het laatste woord heeft. Door de verrijzenis op te nemen, verbindt hij het kruis met hoop, overwinning en voltooiing. De hele reeks krijgt daardoor een sterker eschatologisch karakter.

Ook stilistisch wijkt de kruisweg van De Haas sterk af van conventionele kerkelijke kunst. Zijn figuren zijn hoekig, krachtig en soms bijna kinderlijk eenvoudig van vorm, maar juist daardoor krijgen zij een grote directe zeggingskracht. De schilderingen zijn niet bedoeld als historische reconstructies, maar als geestelijke verbeeldingen van een existentieel drama. De emotie ligt niet in naturalistische details, maar in houding, gebaar en compositie. Christus verschijnt niet als een afstandelijke, geïdealiseerde figuur, maar als een lijdende mens onder mensen. Daardoor wordt het lijden invoelbaar en dichtbij gebracht.

Deze expressieve stijl van De Haas riep destijds ook weerstand op. Zijn werk werd niet door iedereen geaccepteerd, en de kerkelijke autoriteiten hadden moeite met zijn modernere benadering. Er ontstond zelfs een ware hetze, die zover ging dat de kruiswegstaties op Goede Vrijdag 1949 op last van het Vaticaan uit de kerk moesten worden verwijderd. Aad de Haas heeft de kruiswegstaties zelf uit de kerk gedragen. Het laat zien hoe groot de kloof was tussen vernieuwende religieuze kunst en de heersende kerkelijke smaak. Toch heeft juist deze controverse de betekenis van het werk later versterkt. Na zijn dood werd hij gerehabiliteerd en in 1981 zijn de kruiswegstaties teruggekeerd. Wat aanvankelijk als te afwijkend werd ervaren, wordt nu gezien als een belangrijk voorbeeld van religieuze vernieuwing in de naoorlogse kunst. De kruisweg van De Haas laat zien hoe kunst een plaats kan innemen in kerk en liturgie zonder haar eigen tijd te verloochenen.
Aad de Haas (1920-1972)
Kruiswegstaties (1946-49)
Olieverf op panelen
Wahlwiller - Cunibertuskerk
2016 Paul Verheijen / Nijmegen