Paul Verheijen

ABRAHAM

Genesis 12:1 - 25:18

De eerste van de drie aartsvaders of patriarchen uit het Eerste Testament, geldt als stamvader van de Israëlieten.
Hij was een verre nazaat van Sem, de oudste zoon van Noach.
Samen met zijn vader Terach, zijn onvruchtbare vrouw Sarai en zijn neef Lot trok hij weg uit de stad Ur in Chaldea naar Kanaän.
Met zijn land verliet hij de voorouderlijke goden waarvan hij, aldus de joodse traditie, de beelden vernietigde, en hij bekende zich tot zijn stamgod als de ene God, JHWH.
Toen Terach onderweg in Haran gestorven was, trok Abram verder tot Sichem, waar JHWH hem verscheen en hem land, welvaart en nageslacht beloofde.
Tijdens een verblijf in Egypte, waarheen Abram vanwege een hongersnood in Kanaän uitgeweken was, deed hij zich voor als een broer van Sarai, uit vrees dat hij het er als echtgenoot van de begeerlijke vrouw niet levend af zou brengen.
De farao nam haar inderdaad als een van zijn vrouwen op in zijn huis en beloonde Abram daarom rijkelijk.
Toen JHWH vanwege de schending van Sarai's eer de farao met rampen trof, merkte de vorst dat hij zich vergrepen had aan Abrams vrouw.
Abram werd daarom met Sarai en zijn bezittingen de grens overgezet.
Terug in Kanaän gingen Abram en Lot, beiden inmiddels in het bezit van grote kudden, uit-een: Lot naar Sodom aan de vruchtbare Jordaan, Abram naar Hebron in het dorre bergland.
Toen Lot door koningen, die het land aan de Jordaan vanuit het oosten binnenvielen, gevangen genomen werd, verbond Abram zich met hun tegenstanders.
Hij versloeg de invallers en bevrijdde zijn neef.
Bij de viering van de overwinning bood Melchisedek*, koning en priester van Salem (later Jeruzalem), hem brood en wijn aan en zegende hem. Abram schonk hem op zijn beurt een tiende deel van de oorlogsbuit.
Hierna sloot JHWH met Abram een verbond, waarbij de beloften van nageslacht en eigen land herhaald en in een visioen bekrachtigd werden.
Het geloof van de kinderloze Abram in de onwaarschijnlijke belofte werd hem als gerechtigheid aangerekend.
Bij een later herhaalde verbondssluiting legde JHWH op, dat voortaan alle mannen van Abrams stam en allen die daarin zouden worden opgenomen, besneden werden.
De naam van Abram (vader is verheven) werd toen door JHWH veranderd in Abraham (vader van menigten); die van Sarai (prinses) in Sara (koningin).
Bij deze verbondssluitingen werd aan Abraham telkens een groot nageslacht beloofd, hoewel Sara hem nog geen kinderen had geschonken.
Op haar voorstel nam Abraham haar slavin Hagar als bijvrouw.
Toen deze, van hem zwanger geworden, zich hooghartig begon te gedragen, maakte Sara haar het leven zuur.
Hagar trok weg van Abraham, maar werd door een engel van JHWH teruggestuurd en baarde Abraham een zoon: Ismaël.
Drie vreemdelingen, op strafexpeditie naar het zondige Sodom en gastvrij in Abrahams tent bij de eik van Mamre ontvangen, beloofden hem de geboorte van een zoon uit Sara, en wel binnen een jaar, dit tot ongeloof en hilariteit van de meeluisterende, inmiddels hoogbejaarde Sara.
De drie vreemdelingen bleken later, toen Abraham hen, bezorgd om Lot, op weg naar Sodom begeleidde, JHWH en twee engelen.
Inderdaad baarde Sara te Berseba, waar Abraham zich inmiddels gevestigd had, een zoon: Isaak.
De geboorte bracht vreugde en perspectief, maar kostte Hagar en haar zoon de positie in de clan.
Abraham zond hen de woestijn in.
Daar werd hun op het moment dat het jongetje van dorst dreigde om te komen een belangrijk nageslacht beloofd: de volkeren van Arabië.
Ismaël werd een uitstekende boogschutter.
Hij leefde in de woestijn met de Egyptische vrouw die Hagar voor hem koos.
Met zijn lang begeerde zoon werd de trouw van Abraham aan JHWH ernstig op de proef gesteld.
God beval hem, Isaak op de berg Moria als een brandoffer aan hem op te dragen.
Abraham begaf zich met vuur en offermes op weg.
De jongen droeg zelf het brandhout en verwonderde zich over het ontbreken van een offerdier.
Toen Abraham zijn zoon op de brandstapel had gebonden en zijn arm hief om hem met een mes de keel door te snijden, greep de engel van JHWH in: Abraham had zijn trouw getoond.
Een ram, die met zijn horens in het struikgewas verward was, nam de plaats van Isaak in.
Sara en Abraham bereikten beiden een hoge leeftijd.
Toen Sara stierf, kocht Abraham voor haar een passende begraafplaats.
Hij zorgde verder voor het huwelijk van zijn zoon, regelde de positie van zijn bijvrouwen en haar kinderen en stierf 175 jaar oud.
* Melchisedek wordt gezien als voorafbeelding van Christus en kreeg een plek op de liturgische heiligenkalender op 25 maart.

Levenseinde

Onderstaande tekst is door mij op verzoek van Berne Media aangeleverd als bijdrage voor het boekje Op Hoop van Zegen, bemoediging en troost voor zieken (Heeswijk, 2007). Als uitgangspunt nam ik de tekst van Genesis 25:7-11.
Abraham leefde honderdvijfenzeventig jaar. Hij stierf in gezegende ouderdom; na een lang leven blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd. Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela op de akker van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, dicht bij Mamre, het stuk land dat Abraham van de Hethieten had gekocht. Daar ligt Abraham begraven, evenals zijn vrouw Sara. Na Abrahams dood zegende God Isaak, zijn zoon, die bij de bron Lachai-Roï ging wonen.
De dagen van Abraham, mijn vader, zijn geteld. Zelf is hij de tel kwijt. Liggend op zijn bed neemt hij afscheid van mij.

Hoe vaak, Isaak, heb ik je niet verteld over de drie mannen die eens bij mij te gast waren? Op het heetst van de dag stonden ze plotseling bij mijn tent. Ik ontving ze onder de schaduw van een boom. Sara had drie broden gebakken en ik serveerde een lekker mals kalfje. Een van de mannen stelde ons een zoon in het vooruitzicht. Wij moesten er allebei om lachen. Sara was onvruchtbaar en oud. Sara een eigen zoon? Een geschenk uit de hemel?

Ik glimlach. Vader heeft mij inderdaad wel honderd keer verteld over deze mysterieuze ontmoeting. De Enige op bezoek. Nota bene met z’n drieën.

En je kwam inderdaad ... Maar ineens moest jij mijn leven ook weer uit.

Vader legt zijn hand op mijn hoofd. Ik verstrak. Een gruwelijke herinnering. Vader herhaalt zijn bizarre gesprek met de Enige.

Haal toch je zoon.
Wie? Van Sara heb ik Isaak en van haar dienares Hagar heb ik Ismaël.
Die voor jou uniek is.
Ik vind beiden uniek.
Die je liefhebt.
Ik heb beiden even lief.
Isaak.
Waarom hij?
Ga, jij! Naar de landstreek Moria. Breng hem daar als brandoffer. Op één van de bergen. Die ik je zeg.
Moet ik weer een kind kwijtraken?


Ik zucht. Ik heb het drama rond Hagar en Ismaël niet bewust meegemaakt. Ik was net van de borst af. Vader moest hen zijn huis uitzetten. Hij is er lang ziek van geweest.

Maar, dacht ik, als de Enige beloofd heeft dat Hij Ismaël beschermt, dan toch zeker ook jou. Dus gingen we. Onderweg naar de aangewezen berg vroeg je waarom we geen brandoffer hadden meegenomen. ‘De Enige zelf zal voor het offer zorgen ... mijn zoon’, antwoordde ik.

Dit antwoord vergeet ik nooit. Vader haalde diep adem, voordat hij mijn zoon zei. Die stilte maakte pijnlijk duidelijk wie het offer moest zijn: ikzelf.

Op de offertafel bind ik je handen op je rug. Met mijn hand op je hoofd hef ik het slachtmes voor de dodelijke haal. De Enige ziet mij. Zijn hand houdt de mijne tegen ...

Vader vertelt alsof het nu gebeurt. Er volgt een lange stilte ...

De Enige ziet mij’. Ik moet aan Lachai-Roï denken. Ik heb vader verteld dat ik daar ga wonen. Bij die bron heb ik mijn vrouw Rebekka ontmoet. Vader verklaarde mij de naam. Toen Hagar zwanger was van Ismaël boterde het niet tussen haar en Sara. Ze vluchtte en rustte bij de bron. Daar had ze een mysterieuze ontmoeting. Ook zij. Daarom gaf ze de bron de naam Lachai-Roï, ‘God die mij ziet.

Vader drukt zijn hand steviger op mijn hoofd. Hij schraapt zijn laatste woorden.

Jij en Ismaël blijven door mij voor altijd met elkaar verbonden ... Laat Lachai-Roï een bron van zegen zijn, voor jou en Ismaël en jullie beider nageslachten ... Heb reine handen en een zuiver hart ... Laat je niet in met leugens ... Zweer niet bedrieglijk ... Dan zul je levenskracht en welslagen van de Enige ontvangen ... Zijn zegen is bestemd voor de hele aarde ... En tot in eeuwigheid zal de Enige gedenken ... het verbond dat Hij met mij sloot.

Vaders hand glijdt van mijn hoofd.

Ik zou het een mooi gebaar vinden ... als jij en Ismaël ... samen ... mijn lichaam begraven ... bij Sara ... in Machpela ... in ons familiegraf.

Ik knik. Vader sluit zijn ogen. Een glimlach verschijnt op zijn gezicht.
2016 Paul Verheijen / Nijmegen