Paul Verheijen

RAFAËL

Bevrijding van Petrus

Droom en werkelijkheid

De fysionomie van Petrus herinnert vaag aan die van de baarddragende paus Julius II die de opdracht voor de fresco's had gegeven. Vermoedelijk verwijst het fresco naar de door zijn dood op 21 februari 1513 van zijn aardse boeien verloste paus. Deze paus - Giuliano della Rovere voor zijn pontificaat geheten - was kardinaal van de San Pietro in Vincoli (Petrus' Banden) in Rome alwaar de ketenen die Petrus gevangen hielden als reliek worden bewaard en vereerd (zie 'Feestdag' hieronder).

Rafaël houdt zich trouw aan de vertelling in de Handelingen van de apostelen (zie boven). Centraal in de hele scène staat het licht dat uit vijf verschillende bronnen straalt: maan, dageraad en fakkels links, en de engel midden én rechts. Oneindig vaak wordt dit weerkaatst in het metaal van de wapens en de harnassen van de bewakers. Het centrale fonkelende licht heeft iets bovennatuurlijks en is een van de vroegste tegenlicht-effecten in de schilderkunst waar kunstenaars als Caravaggio en Rembrandt later zo bekend door zijn gewordern. Het donkere traliewerk maakt het licht erachter extra intens. Sommige kunstcritici vinden dit fresco het fraaiste nachtstuk van de hele schilderkunst uit de renaissance.
Zie bijvoorbeeld Vasari in zijn Vite hieronder.

Giorgio Vasari

De Stanze di Raffaello worden door Vasari in zijn Vite uitgebreid beschreven.
Over dit fresco schrijft hij:
Hier heeft Rafaël zich op het gebied van de architectuur zozeer in acht genomen en heeft hij het ruwe bouwsel van de kerker zo treffend weergegeven dat andere schilders alleen maar verward lijken waar hij louter schoonheid biedt, want hij heeft steeds getracht de geschiedenissen zo uit te beelden als ze staan beschreven, en er bevallige en voortreffelijke details in aan te brengen, en zo toont hij hier de verschrikkingen van een kerker: hij laat zien hoe, tussen twee soldaten, deze grijsaard in ijzeren boeien ligt vastgeklonken, hoe de bewakers loodzwaar slapen en hoe de helle schittering van de engel in de duistere schaduwen van de nacht het gevang tot in de kleinste kleinigheden zichtbaar maakt en de harnassen zo fel doet oplichten, ze zo doet glanzen, dat ze niet zozeer geschilderd lijken te zijn als wel bijzonder werkelijk, ja zelfs gepolijst. Evenveel vernuft en vakmanschap treft men aan in de scène waar Petrus bevrijd uit zijn boeien en onder begeleiding van de engel de kerker verlaat, waarbij Rafaël op Petrus' gezicht duidelijk laat zien dat hij meent te dromen; zo ook wordt men het angstige beven van de overige bewapende bewakers gewaar, buiten de kerker, wanneer ze het lawaai van de ijzeren deur horen, en met een toorts in de hand wekt de schildwacht de anderen, en terwijl hij hen bijlicht wordt het schijnsel van zijn toorts in alle harnassen weerkaatst, en daar waar dit niet doordringt, heeft men nog baat bij het schijnsel van de maan. Doordat Rafaël deze vindingrijke compositie boven het raam heeft aangebracht maakt deze wand een des te donkerder indruk, want als je de schildering bekijkt schijnt het daglicht je tegemoet, en het licht dat is weergegeven in de verschillende schijnsels van de nacht wedijvert zodanig met dit levende licht dat je de rook van de toorts meent te ontwaren zowel als de schittering van de engel en de duistere nachtelijke schaduwen, zo natuurlijk en levensecht dat je nooit zou zeggen dat het om een geschilderde voorstelling gaat, zo passend is hier uitdrukking gegeven aan een zo complexe verbeelding. Op dit werk ontwaart men in de wapenrustingen donkere plekken, flikkeringen, weerspiegelingen en de rokerigheid die ontstaat door de hitte van de fakkel, dit alles opgenomen in een zo doffe duisternis dat Rafaël voorwaar aller meester mag heten; nooit heeft de schilderkunst iets voortgebracht waarin zo getrouw de nacht werd nagebootst, en daarom is dit het goddelijkste werk en wordt het alom als onovertroffen beschouwd.
2016 Paul Verheijen / Nijmegen