Titulus Praxedis
Praxedes hoort thuis in het rijtje vermogende christenen die hun huis als huiskerk lieten inrichten. Informatie over haar is te lezen op de pagina met het schilderij van Vermeer.
De juiste stichtingsdatum van de kerk die op dit huis is gebouwd, is niet meer te achterhalen, maar uit concilieakten van 499 weten we dat de kerk toen bestond onder de naam Titulus Praxedes. Adrianus I (paus van 772-795) renoveerde de kerk. De nu bestaande kerk is uiteindelijk tot basiliek gemaakt onder Paschalis I (paus van 817-24; feestdag 11 februari). Hij liet niet ver van de oude kerk een geheel nieuwe, veel grotere bouwen. Hij wilde, in navolging van het goede voorbeeld van Praxedes, onderdak bieden aan 2300 martelaren uit de catacombe van Alexander aan de Via Nomentana. Hij verfraaide de apsis en triomfboog met mozaïeken rijk aan symbolen en kleurenpracht. In latere eeuwen is de kerk nog vele malen gerestaureerd. Dit had onder meer tot gevolg dat door de bouw van een altaarbaldakijn het zicht op de apsismozaïeken deels wordt onttrokken. Deze mozaïeken zijn aangebracht (van achter naar voren) op de apsisschelp (A), de apsisboog (B) en de triomfboog (C). |
||
A - Apsisschelp![]() In de wolken boven zijn hoofd zien we een hand die een zegekroon vasthoudt. Een gebruikelijke aanduiding van God de Vader. De Zoon was mens geworden en werd afgebeeld, de Vader en de heilige Geest niet. Links staat Paulus. Hij omarmt Praxedes (detail 02) en stelt haar aan Christus voor. Daarnaast staat aan de buitenzijde Paschalis met een model van de door hem gebouwde kerk (detail 01). Zijn monogram is in de mozaïeken afgebeeld (detail 05). Omdat hij nog leefde bij het maken van het mozaïek heeft hij geen ronde, maar vierkante nimbus. Aan zijn voeten draagt hij de campagi, kenmerkende (ook liturgische) schoenen voor de late oudheid. Rechts zien we Petrus. Hij omarmt Praxedes' zus Pudenziana (detail 04) en stelt op zijn beurt haar aan Christus voor. Daarnaast staat een niet duidelijk te ïdentificeren heilige. Het is mogelijk Cyriacus. Het kan ook Zeno zijn, een eveneens nogal mysterieuze heilige omdat er niets over hem bekend is, hoewel er in de kerk zelfs een kapel aan hem gewijd is. Op de heiligencanon staan acht mannen met de naam Zeno en nog eens vijf die Zenobius heten. Geen van deze 13 heiligen lijkt in aanmerking te komen voor de in het mozaïek afgebeelde Zeno. Het Roomse Martelaarsboek herdenkt op 5 april ook nog een onduidelijke Zeno van wie de beschreven martelingen blijkbaar belangrijker werden gevonden dan historische feiten: Op deze dag ook de heilige martelaar Zeno. Men bestreek hem met pek en wierp hem dan in het vuur. Nog midden op de brandstapel werd hij met een lans doorstoken en zo verwierf hij de martelaarskroon.De zussen Prassede en Pudenziana houden hun handen bedekt met een met sieraden versierde witte velatio virginis, een sluier die hun maagdeljkheid symboliseert. Daarbovenop ligt een kroon. Het bedekken van de handen is een oude gewoonte wanneer men geschenken geeft of ontvangt. ![]() Aan de buitenzijde staan twee dadelpalmen. Op de linker zie je de vogel Phoenix als symbool van de zonsopgang en daarmee ook van de verrijzenis. Zijn kop is zo gericht naar de zon dat die een nimbus van de vogel lijkt (detail 06). In het midden staat op een groene weide het lam uit de Openbaring van Johannes (detail 07). Onder het lam ontspringen de paradijsrivieren Eufraat, Tigris, Pison en Gichon ontspringen. Later symboliseerden zij ook de vier evangelisten die uit Christus stromen. Twaalf lammeren als symbool van de apostelen, lopen naar het lam. Beide zijden worden begrensd door uitbeeldingen van Jeruzalem en Betlehem compleet met torens en geopende poorten. De muren zijn bezaaid met edelstenen en in de geopende poort hangen drie parels (detail 08). Hieronder bevindt zich een inscriptie in hexameters:
![]() |
||
B - Apsisboog![]()
In het midden van de apsisboog, binnen een blauw medaillon, is opnieuw het lam afgebeeld. Het zit op een rijk versierde troon, waaronder zich het boek met de zeven zegels bevindt. Het lam is het enige wezen dat deze zegels kan openen en zo het goddelijke heilsplan volledig kan onthullen.
Aan de zijkanten van de troon bevinden zich de zeven kandelaren of lampen, drie links en vier rechts; in de Openbaring van Johannes 1,20 stellen zij de zeven kerken van Azië voor, dat wil zeggen de totaliteit van de kerken of de christelijke gemeenschap op elke plaats en in elke tijd. De lammeren, de vier levende wezens en de 24 oudsten vullen de apsisboog. De vier engelen naast de lampen staan op kleine rode en blauwe wolken. Zij dienen als bemiddelaars, zoals de mensen, die symbolisch met slechts een bovenlichaam worden weergegeven (Openbaring 4:6). De vier wezens, elk met zes vleugels, zijn de symbolen van de vier evangelisten. Ieder van hen draagt zijn evangelieboek. Onder de evangelisten bevinden zich de 24 oudsten (Openbaring 4:4), verdeeld in twee groepen en in drie rijen opgesteld (detail 09). Zij zijn gekleed in wit byssus en bieden Christus met bedekte handen gouden kronen aan, die de wijsheid symboliseren. Het getal 24 is problematisch, want het gaat hier niet om een gebruikelijk symbool uit de Apocalyps. Er bestaan talloze interpretaties van de oudsten: zij kunnen verheerlijktte mannen zijn – 24 persoonlijkheden uit het Eerste of Tweede Testament, of de 12 patriarchen en de 12 apostelen – of misschien ook een symbool voor alle mensen die aan Gods plan meewerken en een actieve rol in de heilsgeschiedenis spelen. |
||
C - Triomfboog![]() Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’ Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie. De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el, in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuur, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht. De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde brengen daar hun eerbewijzen. De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. De volken zullen er al hun eerbewijzen komen brengen. Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam.In het midden van de triomfboog stelt een versierde ommuring met torens dit hemelse Jeruzalem voor. Tegen de achterzijde vinden we Christus die een gouden roodversierde tunica draagt. In zijn linkerhand heeft hij een (evangelie)boek en met zijn rechterhand zegent hij. Aan zijn zijde staan twee engelen met een blauwe nimbus die bij hemelse schepselen hoort. Geheel links staat Mozes met een wetstafel waarop LEGE staat. Geheel rechts staat Elia met zijn armen bedekt onder zijn mantel. Daarnaast staat nog een opmerkelijke engel in rode tunica met in zijn handen een boek en een staf / scepter. Het boek is teken van het Eerste Testament en de staf herinnert aan macht en dient om te meten (beoordelen) van de stad. Aan de voorzijde binnen de ommuring zien we links van binnen naar buiten Maria, Johannes de Doper, Paulus en vijf apostelen. Rechts Prassede, Petrus en vijf verdere apostelen. De stadspoorten links en rechts worden door een engel bewaakt. Buiten de stadsmuren lopen twee groepen uitverkorenen onder leiding van een engel naar Jeruzalem. Het zijn de 144.000 geredden (Openbaring 7:4 en 14:1). De groep links bestaat uit mannen en vrouwen (detail 10). De groep rechts bestaat alleen uit mannen en wordt nog extra begeleid door Petrus (rechterhand sleutel) en Paulus aan weerszijden van de engel (detail 11). ![]() Het onderste register sluit eveneens aan bij een tekst uit het laatste bijbelboek: Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het lam!’ Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze wierpen zich neer voor de troon en aanbaden God met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’Op het onderste register van de triomfboog staat een schare in ht wit geklede mannen, vrouwen en kinderen die met palmtakken wuiven. Dit register is deels verwoest omdat aan beide zijden tussen 1564 en 1584 grote reliekhouders werden geplaatst voor de 2300 martelaren. Men heeft daarom ook wel gesuggereerd dat hier niet de onafzienbare menigte is afgebeeld maar de 2300 martelaren. |
||
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |