Piaristen
Voor 25 augustus schrijft het Roomse Martelaarsboek:
Te Rome de geboorte van de heilige priester-belijder Jozef Calasanctius, die uitscheen door onschuld van leven en door wonderen. Om de jeugd te onderrichten in godsdienst en wetenschap, stichtte hij de 'Orde der Arme Reguliere Geestelijken der Moeder Gods voor godsdienstige scholen'. Zijn feest viert men evenwel op 27 augustus.
José (Jozef) de Calasanz y Gastón, geboren in 1556, besloot volgens de legende de duivel te doden toen hij zes jaar was. Gewapend met een degen klom hij in een boom, waar hij meende dat de satan woonde. Hij viel eruit, maar bleef ongedeerd. Dat werd als een wonder beschouwd, maar het betekende ook dat hij van zijn ouders thuis moest blijven. Om de tijd te doden klom hij op een stoel en preekte voor enkele van zijn vriendjes. Het kon niet anders of dit brave jongetje ging een kerkelijke loopbaan tegemoet. Hij studeerde civiel en canoniek recht in Lérida en theologie in Valencia. Daar trof hij een jonge weduwe op zijn weg die smoorverliefd op hem werd, maar José ging op haar avances niet in. Een nieuwe verzoeking kwam na de dood van zijn broer, toen zijn vader eiste dat hij terugkwam naar het ouderlijk kasteel om dat te beheren, te trouwen en voor nageslacht te zorgen. Hij vroeg Maria om hulp en werd op slag doodziek, waarop zijn vader beloofde dat hij bij beterschap priester mocht worden. Aldus geschiedde en werd hij gewijd. Na een tijdje als dorpspastoor in de Pyreneeën te hebben gewerkt, stierf zijn vader die hem zijn vermogen naliet. Jozef gaf alles weg en verhuisde naar Rome waar hij in dienst trad van kardinaal Colonna. Hier hield hij zich in de armenwijk Trastevere bezig met de opvoeding van verwaarloosde kinderen en bouwde de organisatie uit tot een nieuwe orde: Ordo piarum scolarum, ook piaristen genoemd. Het doel was kosteloos onderwijs te geven aan arme kinderen. Zijn leerlingen vertrokken als missionaris naar onder meer Bohemen en Polen. De orde ondervond veel tegenwerking, met name vanuit andere orden die soortgelijk werk deden. Jozef - ook bekend onder de naam Jozef a Matre Dei - werd zelfs tijdelijk afgezet als hoofd van zijn orde die werd gedegradeerd tot congregatie. Hij stierf in 1648 arm en verguisd, maar zijn eerherstel was bij zijn dood al op gang gekomen, hoewel de orde pas in 1659 werd heropgericht en Jozef nog later in 1767 werd heiligverklaard.
Calasanctius ligt begraven in de San Pantaleone in Rome.
In de Sint-Pieter aldaar is zijn standbeeld - van de hand van Innocenzo Spinazzi - opgenomen in de reeks van ordestichters. Jozef heeft een boek in zijn linkerhand dat op de omslag het sierlijk in elkaar gevlochten monogram van de piaristen laat zien: de letters A en M. Deze staan voor Auspicium Melioris, 'onder het voorteken van een betere' (nl. Maria). Het staat ook bekend als het Mariamonogram of het Auspice Maria-symbool. In de volksmond en in de christelijke kunst wordt het monogram ook heel vaak gelezen als de Latijnse groet Ave Maria, 'Wees gegroet Maria'. Een kroon is boven de letters geplaatst, wat symbool staat voor Maria als 'Koningin des Hemels'. En onder het monogram staan de Griekse letters MP en ΘY die staan voor Mètèr Theou, 'Moeder Gods'.
Het ligt voor de hand dat Spinazzi de ordestichter heeft afgebeeld met twee kinderen die hij onderwijst door met zijn vinger naar het boek te wijzen dat door hen wordt vastgehouden.
|