Paul Verheijen

KRUISWEGSTATIES

Via Dolorosa

In de rooms-katholieke volksdevotie bestaat sinds de vijftiende eeuw een vrome oefening, ‘de kruisweg’, die onder andere op Goede Vrijdag plaatsvindt.
Tijdens de kruisweg gaan de gelovigen biddend en herdenkend langs veertien kruiswegstaties.
‘Statie’ is afgeleid van het Latijnse statio, ‘(stil)stand’.
Een kruiswegstatie is een afbeelding die een scène uit de lijdensweg van Jezus en zijn stervensproces uitbeeldt.
Deze godsdienstoefening wordt aan verschillende bronnen toegeschreven.
Zo zou de kruiswegoefening teruggaan op Jezus’ moeder die in Jeruzalem de plaatsen van de Via Dolorosa bezocht.
Vier van de veertien kruiswegstaties zijn ook opgenomen binnen de zogenaamde Zeven Smarten van Maria.

Vooral de werkzaamheid van Franciscus van Assisi is verantwoordelijk geweest voor de verspreiding van de gebeden kruisweg.
Met name de franciscanen zijn verdienstelijk geweest in het oprichten van kruiswegen.
Omdat het aantal staties hier en daar verschilde, bepaalde Clemens XII (paus van 1730-1740) het aantal op veertien.
In 1741 werd de kruisweg verplicht in alle rooms-katholieke kerken.
Op een aantal plaatsen is er later nog een vijftiende statie aan toegevoegd, de zogenoemde 'paasstatie' die de verrijzenis uitbeeldt.
Hoe er bij elke statie wordt stilgestaan wat betreft gebed of meditatie is niet voorgeschreven.
De aanhef luidt bij elke statie:
Wij aanbidden U, o Christus, en loven U - omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
En aan het eind bidt men:
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons - God, wees ons zondaars genadig.

In het interieur van vrijwel alle roomskatholieke kerken is zo'n 14-delige kruisweg aanwezig.
Soms zijn deze in de buitenlucht opgesteld nabij de kerk of op een andere religieuze plek.
Veel kunstenaars hebben een volledige kruisweg op hun naam staan.

Bij de opsomming hieronder staan afbeeldingen van twee 'moderne' kruiswegen uit de eerste helft van de twintigste eeuw die op een of andere wijze ook verbonden zijn met de Nederlandse zalig verklaarde karmeliet Titus Brandsma (1881-1942; gedenkdag 27 juli).
Een verdere overeenkomst is te vinden in de plaats- en tijdloze uitbeelding van de staties door beide kunstenaars.
Bij een 'traditionele' kruisweg werd het historische en natuurlijke kader vaak breed uitgesmeerd in een meer verhalende vorm, maar Servaes en Maris geven alleen het wezenlijke van elke statie weer.
Mysterienbilder werden zodoende Andachtsbilder, de achtergrond is leeg om plaats te kunnen maken voor religieuze emotie bij de schouwer.

Albert Servaes (1883-1966) kreeg in 1919 de opdracht voor een kruisweg ten behoeve van een kapel van de ongeschoeide karmelieten in Luithagen-Oude God (Mortsel), een voorstad van Antwerpen.
Toen zij werden opgehangen, veroorzaakte de kruisweg zo'n tumult dat het Vaticaan in april 1921 opdracht gaf tot verwijdering.
Titus Brandsma stelde tevergeefs alles in het werk het verbod uit Rome af te wenden.
De trappistenabdij O.L.V. van Koningshoeven in Berkel-Enschot kwam in 1953 in het bezit van deze kruisweg.
Er bestaat ook een gekleurde geschilderde versie van deze kruisweg die in bezit is van het Catharijneconvent in Utrecht.

Jac Maris (1900-1996) maakte van keramiek tussen 1937 en 1949 een terracotta kruisweg, omlijst in kleine kapelachtige bouwwerkjes, in het Bonifatiuspark in Dokkum.
In 1939 kreeg Maris de opdracht hiervoor van de geboren Fries Titus Brandsma.
Bron afbeeldingen Servaes: Jos Huls (red.) - Ecce Homo, schouwen van de weg van liefde, Leuven 2003.
Bron afbeeldingen Maris: eigen foto's gemaakt 25 juli 2013 op de Kapelberg in Bergharen van de 14 - aan Dokkum vrijwel identieke - staties vervaardigd tussen 1945 en 1949.

De kruiswegstaties in beeld

Statie I



Jezus wordt tot de dood van 't kruis veroordeeld
(Iesus condemnatur ad mortem)
Matteüs 27,1, Marcus 15,15, Lucas 23,25, Johannes 19,16
Servaes beperkt zich tot twee soldaten die Christus vasthouden, terwijl Maris ook Pilatus afbeeldt die zijn handen in onschuld wast.

Statie II



Jezus neemt het kruis op zijn schouders
(Iesus oneratur ligno crucis)
Johannes 19,17
Meer nog dan bij Maris lijkt Christus bij Servaes het kruis te omarmen.
We denken dan bijna vanzelf aan de bas-aria Komm, süßes Kreuz uit Bachs Matthäus-Passion.

Statie III



Jezus valt de eerste maal onder het kruis
(Iesus procumbit primum sub onere crucis)
Niet in de Bijbel
In de traditie ontstaan vanwege statie V

Statie IV



Jezus ontmoet zijn H. Moeder
(Iesus fit perdolenti Matri obvius)
Niet in de Bijbel
Johannes 19,25 meldt dat de moeder van Jezus aanwezig is bij de kruisiging zelf
= Mariasmart IV
Deze statie wordt ook wel Compassio Mariae genoemd en kwam al regelmatig voor in de kunst van de 12e eeuw.
De scène is een sacra conversazione, een woordeloos heilig gesprek in mede-lijden.

Statie V



Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen
(Iesus in baiulanda cruce a Cyrenaeo adiuvatur)
Matteüs 27,32, Marcus 15,21, Lucas 23,26
In tegenstelling tot de kruisweg van Maris blijft Simon van Cyrene bij die van Servaes prominent aanwezig tot en met statie IX.

Statie VI



Veronica droogt het aangezicht van Jezus af
(Iesus Veronicae sudario abstergitur)
Niet in de Bijbel
Ontstaan in een gecompliceerde traditie
Maris kiest hier voor een vrij traditionele uitbeelding waarbij het gelaat van Christus op het doek wordt afgebeeld.
Bij Servaes is Christus' gezicht versluierd, maar door het doek heen is zijn gelaat nog te zien.

Statie VII



Tweede val van Jezus onder het kruis
(Iesus procumbit iterum sub onere crucis)
Zie statie III

Statie VIII



Jezus troost de wenende vrouwen
(Iesus plorantes mulieres alloquitur)
Lucas 23,28-31

Statie IX



Derde val van Jezus onder het kruis
(Iesus procumbit tertium sub onere crucis)
Zie statie III

Statie X



Jezus wordt van zijn klederen beroofd
(Iesus vestibus spoliatur)
Matteüs 27,35, Marcus 15,24, Lucas 23,34, Johannes 19,23-24
melden dat de soldaten dobbelden om Jezus' kleren
Beide staties komen in de bijfiguren terug op statie I.

Statie XI



Jezus wordt aan het kruis genageld
(Iesus clavis affigitur cruci)
Matteüs 27,35, Marcus 15,24, Lucas 23,33, Johannes 19,18

Statie XII



Jezus sterft aan het kruis
(Iesus moritur in cruce)
Matteüs 27,50, Marcus 15,37, Lucas 23,46, Johannes 19,30
= Mariasmart V
Maris sluit aan bij het iconografische thema Calvarië.
De statie van Servaes is een puur Kontemplationsbild, omdat in tegenstelling tot de versie van Maris de gelovige zich niet kan spiegelen aan het gedrag van Maria en Johannes de apostel.
Hij is hier alleen met Christus en wordt geconfronteerd met de vreselijke executie die een kruisiging is.

Statie XIII



Jezus wordt van het kruis afgedaan
(Iesus deponitur de cruce)
Matteüs 27,57-61, Marcus 15,42-47, Lucas 23,50-56, Johannes 19,38-42
= Mariasmart VI
De Bergharense statie van Maris paste niet goed in de reeks (zijnde een kruis met een Mariabeeld eronder) en is vrij snel al vervangen door dit exemplaar gemaakt door zijn assistente Els Tervoort (1927-2002).
Haar uitbeelding van de kruisafneming staat in de traditie die van de dertiende statie een Piëta maakt.
Servaes doet dit niet en tekent een daadwerkelijke kruisafneming door drie mannen.
Zij verbeelden vermoedelijk Johannes, Nikodemus en Josef van Arimatea.

Statie XIV



Jezus wordt begraven
(Iesus sepulcro conditur)
Zie statie XIII
= Mariasmart VII
Bij Servaes is er geen traditionele graflegging, maar wordt Christus gedragen door twee mannen en twee vrouwen.
Maris beperkt de bijfiguren tot alleen Maria.

Bespotting en doornenkroning

Toen spuwden ze hem in het gezicht en sloegen hem. Anderen sloegen hem met een stok en zeiden: 'Profeteer nu eens voor ons, Messias. Wie was het die je heeft geslagen?'
(Matteüs 26,67-68)

[...]

Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus mee naar het pretorium en haalden er heel de cohort bij. Ze trokken hem zijn kleren uit en hingen hem een rode mantel om; ze vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd, gaven hem een rietstok in de rechterhand, vielen voor hem op de knieën en dreven de spot met hem door te zeggen: 'Gegroet, koning van de joden!' En ze spuwden hem in het gezicht, pakten de rietstok en sloegen hem op zijn hoofd.
(Matteüs 27,27-30)

Kanttekeningen bij deze tekst Matteüs


Nu het Sanhedrin het doodvonnis over Jezus heeft uitgesproken wordt hij gewelddadig bejegend.
Matteüs gebruikt daarvoor vier verschillende werkwoorden: spuwen, een oorvijg geven, een klap (met een stok) in het gezicht geven en slaan.
De evangelist Marcus spreekt over de knechten (Marcus 14,65), Lucas heeft het over mannen die Jezus bewaakten (Lucas 22,63-64) en bij Johannes is het één dienaar die Jezus een klap verkoopt (Johannes 18,22).
Matteüs laat in het midden wie Jezus zo mishandelen.
Doet hij dat vanwege de vraag van de spotters wie was het die je heeft geslagen? een vraag die tot nadenken stemt.

Wie hem slaat kan Jezus gewoon zien.
Wil Matteüs aangeven dat Jezus zodanig op zijn gezicht is geslagen dat zijn ogen zijn opgezwollen?
Of doen ze Jezus een blinddoek voor en spelen zij met hem een soort blindemannetje, zoals expliciet vermeld door Marcus en Lucas?
Letterlijk betekent 'profeteren' dat je spreekt in plaats van iemand anders.
Dat lijkt hier niet bedoeld te zijn, want er wordt Jezus niet gevraagd te voorspellen wie de volgende is die hem gaat slaan.
Eerder lijken ze te zeggen: ‘Als je spreekt als Messias en in naam van God, weet je wie jou heeft geslagen’

In vervolghoofdstuk zijn het de soldaten in het pretorium die Jezus bespugen.
De soldaten nemen Jezus naar het pretorium, waarmee mogelijk de ambtswoning van Pilatus is bedoeld.
Een cohort was een tiende deel van een legioen, op papier tussen de 300 en 600 man.
Matteüs beweert dus dat er minimaal 100 soldaten bij de bespotting aanwezig zijn, of daaraan deelnemen.
Misschien bedoelt hij alleen de soldaten van het pretorium.
Hoe het ook zij: wat deze soldaten doen nadat ze Jezus gegeseld hebben, gebeurt blijkbaar op eigen initiatief.
Matteüs meldt niet dat het moet op bevel van Pilatus.
Ze trekken hem zijn kleren uit.
Is Jezus gegeseld met zijn kleren aan of heeft hij die weer aangekregen na zijn geseling?
Ze doen hem een purperen mantel om.
Deze mantel behoort tot de standaardkleding van de Romeinse soldaat, daar hoeven zij dus niet lang naar te zoeken.
Gezien de andere attributen die ze Jezus in handen geven, is het duidelijk dat de purperen soldatenmantel nu een karikatuur wordt van de purperen koningsmantel.
Zo moet een slappe rietstengel die Jezus in zijn rechterhand geduwd krijgt een stevige gouden koningsscepter verbeelden en de doornenkroon die hem wordt opgezet een koningskroon.
Zo wordt Jezus aangekleed als 'Koning van de Joden' en op vernederende wijze bespot.
De soldaten vallen voor hem op de knieën om hem te vereren en bejegenen hem op de manier waarop je een koning goddelijk begroet.
De kroon is gemaakt van een gewas dat doornen bevat, waarbij we dan kunnen denken aan een krans, een streng van bladeren onkruid, waar in woestijnachtige streken doorgaans ook takken en bladeren van doornstruiken bij zaten.

De doornenkroning en de daarbij behorende bespotting van Jezus vond in het lijdensverhaal plaats op initiatief van de Romeinse soldaten in het pretorium van Pilatus.
De uitbeelding ervan begon pas in de middeleeuwen, afgezien van het motief op vroeg-christelijke passiesarcofagen.
Meestal zit, soms staat Jezus frontaal, terwijl een of meer beulen hem de doornenkroon op het hoofd zetten.
Vanaf het begin van de 11e eeuw ziet men meerdere beulen met stokken, twee aan twee, de kroon met geweld op Jezus' hoofd drukken.
Dit gegeven handhaafde zich tot ver na de middeleeuwen.
Een nieuw type toonde Jezus zittend in profiel aan de rand van het beeld, terwijl een beul de kroon op zijn hoofd drukt en anderen spottend toezien. Hij vond veel navolging, onder meer bij Aertgen van Leyden (teke-ning ca. 1530) en Van Baburen (schilderij 1623 in het Catharijneconvent te Utrecht).
In de 18e eeuw verdween het thema.
De bespotting, eigenlijk onderdeel van de doornenkroning, werd soms afzonderlijk afgebeeld.

Ecce Homo

Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. 'Hier is hij, de mens,' zei Pilatus.
(Johannes 19,5)
In de Latijnse Vulgaatvertaling luiden de woorden van Pilatus Ecce homo.
De verbeelding van de gegeselde Christus met doornenkroon, spotmantel en gesel in de gewonde handen vormt in de de Westerse beeldende kunst een geliefd thema, zowel in de schilderkunst als de beeldhouwkunst.
Deze categorie kunstwerken wordt met Ecce homo aangeduid of Christus voor Pilatus.
De eerste afbeeldingen van Ecce homo in de kunst verschenen in de 9e en 10e eeuw in de Syrisch-Byzantijnse cultuur van de Antiochisch-Griekse christenen.
De eerste kruiswegstatie wordt vaak als een ecco homo-tafereel uitgebeeld.

Christus op de Koude Steen


Het thema van Christus op de Koude Steen, ook wel geheten De rust van Christus tijdens de kruisweg, komt in de bijbel niet voor.
Onder invloed van volksgeloof en de behoefte meer te weten over het leven van Christus werden laatmiddeleeuwse passietraktaten geschreven vol extra details.
Christus op de Koude Steen kan naar meerdere momenten tijdens de kruisdraging verwijzen.
In bepaalde traktaten uit de veertiende eeuw wordt verwezen naar Christus die bijna onder de last van het kruis bezweek en op een steen ging zitten om uit te rusten, waarbij Christus ook zijn moeder ontmoette (statie IV).
In andere vindt de rust op de koude steen plaats ná de kruisdraging en de ontkleding van Christus en vóór de kruisiging.
Christus neemt plaats op de steen, wacht zijn moment van executie af en overpeinst zijn leven.
Tamelijk uniek is dat kunstenaars Christus op dit moment met toestemming van de Kerk naakt mochten afbeelden.
In de iconografie kiezen veel kunstenaars er overigens toch voor om Christus' lendenen te bedekken met een lendendoek.
Deze lendendoek zou volgens middeleeuwse legenden de hoofddoek van Maria zijn, waarmee zij de naaktheid van haar zoon bedekte.

Christus zit moederziel alleen op een steen, reeds gegeseld en getooid met de doornenkroon, in afwachting van zijn executie.
Soms wordt Christus ook nog omringd door de passiewerktuigen of draagt hij die zelf.
Vaak lijkt hij melancholisch in gedachten verzonken en leunt hij al dan niet met zijn hoofd in zijn hand.

Sommigen vermoeden dat de oorsprong van het thema ook samenhangt met de mysteriespelen, want daarin speelde het na 1400 vaak een rol.

Man van Smarten

Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, door ons geminacht en als niet de moeite waard beschouwd. Hij heeft onze ziekten op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd.
(Jesaja 53,3-4)
Dit citaat van de profeet Jesaja wordt vaak gezien als een voorspelling van de komst van de Messias.
Het was in de 15e eeuw een populair thema.
Een legende over paus Gregorius de Grote vertelt dat hij tijdens het opdragen van de mis een visioen had waarin de gestorven Christus op het altaar verscheen en hem zijn verwondingen liet zien.
Rondom Christus zag hij de lijdensinstrumenten.
De gestorven Christus die hem verscheen, is een zelfstandig thema geworden in de christelijke iconografie en kreeg in navolging van Jesaja de titel Man van Smarten.
Christus toont de wonden van zijn passie aan de gelovigen.
Hij werd afgebeeld met de wonden van de nagels in handen en voeten, de lanssteek in zijn zijde en gekroond met de doornenkroon.
Dikwijls werden de Arma Christi (zie onder) ook afgebeeld, al dan niet gedragen door engelen.
Ook dit thema komt op geen enkele wijze voor in de vier passieverhalen in het Tweede Testament.

Soms wordt de beeltenis van Christus op de Koude Steen gelijkgesteld met de Man van Smarten.
Dit is echter in origine niet correct, want Christus op de Koude Steen is een episode tijdens de kruisweg, terwijl de Man van Smarten een moment is ná de kruisiging en de wederopstanding.
Omdat een verrezen en dus levende Christus zijn passiewonden toont, onstond de vereenzelviging van beide thema's.
De populariteit van de schilderingen en beelden van deze twee motieven werd bevorderd door de volle aflaat die de Kerk verleende aan gelovigen die voor zo'n afbeelding hun gebed uitpraken.

Arma Christi


De Arma Christi, 'Wapens van Christus', zijn in de letterlijk betekenis de 'wapen'schilden met afbeeldingen van voorwerpen die verband houden met de executie van Christus.
De belangrijkste passiewerktuigen zijn: geselkolom, geselroede, spotmantel, doornenkroon, rietstok, kruis, doek van Veronica, spijkers, hamer, dobbelstenen, kruisopschrift, azijnemmer, hysopstengel, majoraantak, spons, lans en nijptang.
Ook maakte de zon en de maan, een soldatenmantel, een kelk, een ladder er soms deel van uit of personen als Kajafas en Judas (overlevering), Petrus met een zwaard (oorafhakking Malchus) of een kraaiende haan en dienstmeisje (verloochening) en een (Christus) slaande hand (van een soldaat).
Deze werktuigen staan al op 12e-eeuwse voorstellingen van het Laatste Oodeel
Na 1300 werden ze een algemeen bekend motief en toegepast op consoles, sluitstenen of bidprentjes.
Uit de 16e eeuw zijn curieuze beeldjes bekend van een naakte Jezusbaby met een of meerdere lijdenswerktuigen in zijn handjes.

In de beeldende kunst worden de arma vaak gedragen door engelen die Christus omringen, functioneren ze als attributen van heiligen, of worden ze als groep afgebeeld.
Symbolisch drukken zij de 'wapens' van het christelijk geloof uit waarmee zonde en dood worden bestreden.

Mystieke wijnpers

Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij. Ik trad hen in mijn woede, vertrapte hen in mijn toorn. Hun bloed bespatte mijn kleren, al mijn kleren werden besmeurd.
(Jesaja 63,3)
Dit citaat van de profeet Jesaja heeft geleid tot het ontstaan van de mystieke afbeelding van Jezus die de wijnpers treedt.
De wijnperser werd gezien als een voorafbeelding van Christus.
Zo schreef kerkvader Gregorius de Grote: 'Geheel alleen heeft hij de wijnpers betreden waarin hijzelf geperst zou worden en op eigen kracht overwon hij het lijden.'
Ook in oude tijden al gebruikt werd de metafoor vanaf het begin van de 12e eeuw de hele middeleeuwen door, vaak zeer gedetailleerd, uitgebeeld.
Christus, met het kruis op de schouders, staat in een wijnpers de druiven te persen
De wijn of het bloed van Christus wordt opgevangen door boeren of door engelen in een wijnton of in een miskelk.
De zware persbalk in de constructie van de pers heeft soms de vorm van het kruis.

Passiespelen

De oorsprong van passiespelen ligt in het middeleeuwse geestelijke toneel.
Als onderdeel van de liturgie werden toneelstukjes opgevoerd die een toelichting vormen op de viering van een of ander kerkelijk feest, zoals het uitbeelden van een levende kerststal met Kerstmis (nog steeds gebruikelijk buiten de liturgie om).
Ook paasspelen hadden in Europa een duidelijke plaats bij het gezongen ritueel op paasmorgen aan het eind van de vroegmis.
Deze liturgische paasviering heeft mogelijk model gestaan voor het onstaan van middeleeuwse mysteriespelen, moraliteiten, mirakelspelen en heiligenspelen waaronder de passiespelen.
De spelen werden meestal opgevoerd op kerkpleinen of marktplaatsen.
In Nederland zijn de Passiespelen Tegelen bekend geworden waarvan van 1931 tot op heden 21 uitvoeringen hebben plaatsgevonden (nu in principe om de vijf jaar).