Augustijnse spiritualiteit
De Cappella della Croce, later toegewijd aan Augustinus, in de San Frediano in Lucca heeft op de zijmuren vier grote fresco's van Amico Aspertini. Deze behoren tot de opmerkelijkste vroege zestiende-eeuwse muurschilderingen in Toscane. De opdracht kwam van prior Pasquino Cenami. De cyclus toont hoe Aspertini, gevormd in Bologna en beïnvloed door zijn verblijf in Rome, een uiterst persoonlijke stijl ontwikkelde: nerveuze bewegingen, expressieve gezichten, dramatische ruimtewerking en een fantasierijke omgang met klassieke architectuur.
De vier hoofdscènes combineren lokale devotie met universele heilsgeschiedenis:
Interessant zijn ook de monochrome afscheidingspilaren in trompe l'oeil. |
Linkermuur![]() Het linkerfresco stelt de Overbrenging van het Volto Santo naar Lucca voor, een centraal thema in de stedelijke identiteit. Het Volto Santo, het wonderdadige kruisbeeld van Christus, gold als kostbaar reliek en bedevaartsoord. Aspertini schildert een processionele scène waarin religieuze ceremonie en dagelijks leven samenvloeien. Opvallend zijn de karakterkoppen en volkse details, waardoor de plechtigheid menselijk en levendig wordt. Zo verbindt de kunstenaar hemelse devotie met aardse werkelijkheid. Op de achtergrond verschijnt de haven van Luni. Onder de toeschouwers, toenmalig bekende personen uit Lucca, zou zich ook de schilder bevinden. Het rechterfresco stelt het Doopsel van Augustinus voor. Volgens de traditie ontving Augustinus in Milaan het doopsel uit handen van Ambrosius in 387. Aspertini plaatst de scène in een monumentale renaissance-architectuur met zuilen en bogen. Het sacrament staat centraal: Ambrosius giet water over het hoofd van Augustinus, terwijl omstanders aandachtig toezien. Rechts bereiden metgezellen zich voor op hun eigen doop. De compositie benadrukt het keerpunt van Augustinus’ leven: van intellectuele zoeker wordt hij christen en toekomstige heilige. Aspertini verbindt innerlijke bekering met uiterlijke plechtigheid. |
Rechtermuur![]() De opname van de Aanbidding van het Kind (links) geeft de kapel een bredere theologische structuur. Waar het doopsel van Augustinus het persoonlijke antwoord van de mens op Gods genade toont, laat de kerstscène juist Gods initiatief zien: Hij wordt mens in armoede en eenvoud. De herders vertegenwoordigen de nederigen die als eersten het heil ontvangen. Op de achtergrond arriveren ook reeds de Driekoningen. Aspertini heeft dit onderwerp met sterke emotionaliteit en levendige beweging uitgewerkt: knielende herders, nieuwsgierige gezichten, een intieme Mariafiguur en het Kind als stralend centrum. Zulke composities boden hem de kans om volkse types en intense expressie te combineren met religieuze ontroering. Op de achtergrond vwerschijnen zowel Romeinse ruïnes als middeleeuwse torens. Het fresco rechts behandelt een lokaal wonder gedaan door Fredianus (zie verder). Hier verschijnt Fredianus als beschermheilige van Lucca, actief in de geschiedenis van zijn volk. Aspertini maakt van het mirakel geen statisch icoon, maar een dynamische gebeurtenis vol beweging en volksdeelname. De natuurkrachten lijken tastbaar, terwijl Fredianus met gezag optreedt. Hierdoor wordt heiligheid voorgesteld als concrete hulp in tijden van nood. |
FredianusOf Fredianus (of Frigdianus) de zoon was van de koning van Ulster wordt zeer betwijfeld omdat er geen documentair bewijs voor is. In Europa liet men nogal snel heiligen uit Ierland komen dat bekendstond als 'Eiland van de Heiligen en Geleerden', Insula Sanctorum et Doctorum. Mogelijk was hij een lokale Toscaanse heilige wiens verering later werd overgenomen door Ierse pelgrims naar Italië. Lucca werd in de middeleeuwen zeker bezocht door Ierse reizigers. Er is bewijs van de invloed van het Ierse schrift op manuscripten die daar in de achtste eeuw zijn geschreven.In zijn vroegste levensbeschrijving staat dat hij een aantal jaren een heilig leven leidde in Ierland, alvorens op pelgrimstocht naar Italië te gaan, waar hij zich vestigde in Monte Pisano nabij Lucca. Na de dood van de zittende bisschop van Lucca werd Fredianus door volksstemming tot bisschop gekozen, mogelijk rond 560. Hij zou de zetel tot zijn dood hebben bekleed, die wellicht rond 588 plaatsvond. Hij zorgde voor de behoeften van zijn kudde tijdens de ontberingen die voortvloeiden uit de Lombardische invallen na 564. Hij herbouwde de San Vincenzo (later aan hem gewijd) die door de Longobarden was verwoest, stichtte volgens de overlevering nog 28 kerken - overeenkomstig het aantal jaren van zijn episcopaat – en bekeerde veel Lombarden. De vroegste vermelding van Fredianus is te vinden in de Dialogi, III,1' van Gregorius de Grote, geschreven in 593. Fredianus redt Lucca van de ondergang. Door gebed verlegt hij de loop van de rivier Serchio (Schecchio). Volgens de legende tekent hij met zijn staf (in het fresco maakt Aspertini hier een hark van) de nieuwe bedding aan, waarna de rivier deze weg volgt en de stad niet langer door herhaalde overstromingen wordt bedreigd. Gregorius plaatst dit verhaal in de context van heilige macht en goddelijke voorzienigheid: door Fredianus’ geloof en gebed wordt de natuurlijke orde zodanig heroriënteerd dat Lucca kan blijven bestaan en ontwikkelen. Het verhaal werd aan Gregorius verteld door zijn buurman, bisschop Venantius van Luni, die beweerde dat het kort daarvoor had plaatsgevonden: het zou dus een historische basis kunnen hebben. Gregorius maakt echter geen melding van Fredianus' nationaliteit. Er bestaan verschillende bewerkingen van het Leven van Fredianus, maar geen enkele ouder dan de 11e-eeuw, hoewel een lijst uit de 10e-eeuw van de boeken in de bisschoppelijke bibliotheek van Lucca een Memoria sancti Frediani vermeldt. Het Leven van Fredianus bevat een aantal anekdotes over Finnianus van Movilla (feestdag 10 september), met wie hij soms werd verward. Een kloosterkerk gesticht door Fredianus wordt vermeld in twee oorkonden uit 685 en 686. De kerk van San Frediano in Lucca was beroemd in de middeleeuwen en bevat de lichamen van verschillende vooraanstaande personen. Er zijn ook kerken aan hem gewijd elders in Italië, en één op Corsica. Zijn stoffelijke resten werden voor het eerst overgebracht in 782, toen ze in een marmeren kist werden gelegd en onder een altaar werden geplaatst op 18 november wat wordt bevestigd in een document uit 857. Zijn stoffelijke resten werden nog drie keer overgebracht, de laatste keer in 1652. Ze rusten nu onder het hoogaltaar in de kerk die aan hem is gewijd. Het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op 18 maart als bisschop 'beroemd om zijn wondermacht'. |
|
Amico Aspertini (±1474–1552)
Vier fresco's (1508-09) Lucca - San Frediano (Cappella Agostino) |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |