OblatenBussa dei Pontiani was, in 1384 te Rome geboren, een dochter uit de adellijke familie De Bussi, met de koosnaam Ceccolella. Zij leefde in een tijd van grote onzekerheid: de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, de wrijvingen tussen het koninkrijk Napels en de Pauselijke Staat, en het Westers Schisma, waarvoor men op het concilie van Konstanz pogingen deed om tegenpausen af te zetten en te komen tot een nieuwe, wettig gekozen bisschop van Rome. Omdat zij al in 1397 uitgehuwelijkt werd aan Lorenzo de' Ponziani, was Francisca niet in staat haar verlangen naar het kloosterleven te volgen. Als kind wide ze absoluut niet aangeraakt worden. Desondanks kreeg ze zes kinderen van wie er twee stierven aan de pest. Op haar trouwdag werd ze letterlijk met stomheid geslagen, maar door een visioen van Alexius genas ze.Zij werd gewaardeerd als een voorbeeldige echtgenote en moeder van haar kinderen. Naar de zeden van plaats en tijd moest zij met Vanozza, de vrouw van haar schoonbroer, onder een streng, haar mogelijkheden beperkend regime leven. Daarbij maakten zij en haar familie na de inname van de stad door Ladislaus van Napels, die de in Rome zetelende tegenpaus beschermde, in 1404 en 1408 met andere edelen een ellendige tijd door. Ondanks alles zag zij kans in 1425 een lang gekoesterd plan uit te voeren: de stichting van een Compagnia voor vrouwen die zich samen — onder de naam Oblati di Santa Maria Nuova — volgens de regel van Benedictus aan de zorg voor de armen en zieken konden wijdden. Eugenius IV hechtte in 1433 zijn goedkeuring aan de activiteiten van Francisca en haar Compagnia. Naar het in dat jaar door de gemeenschap betrokken huis aan de voet van het Capitool in Rome werd een nieuwe naam aangenomen: Nobili Oblati di Tor di Specchi. In 1436 stierf Francisca's man, waarna zij de leiding van de Oblati op zich nam. Na de dood van haar man in 1436 kon ze zelf een boetvaardig leven leiden en onderging zij, naar eigen zeggen, door bemiddeling van haar engelbewaarder mystieke ervaringen, die in 97 visioenen in Romeins dialect opgetekend werden door haar biechtvader Giovanni Mattiotti en later in het Latijn vertaald werden. Francisca stierf in 1440 en werd begraven in de Santa Maria Nuova op het Forum Romanum. Verschillende pogingen, al begonnen in haar stervensjaar, leidden in 1508 tot de canonisatie van Francisca door Paulus V. Men riep haar aan voor bescherming tegen de pest en de straffen van het vagevuur. Pius XI stelde haar naast Christoffel en de profeet Elia in het begin van deze eeuw bovendien aan tot patrones van het gemotoriseerde wegverkeer, vanwege de engelbewaarder. Haar liturgische feestdag is 9 maart. |
WeduwedrachtGuercino beeldt haar af in het aan de Romeinse weduwedracht van haar dagen ontleende gewaad dat haar oblaten nog altijd dragen: een zwart kleed, waarover een witte mantel met grote capuchon. Haar engelbewaarder in kinderlijke gedaante staat aan haar zij. De legende vertelt dat haar zoontje Evangelista na zijn dood aan haar verscheen vergezeld van de de aartsengel Michaël. Deze laatste bleef vanaf dat moment zichtbaar bij haar aanwezig en hielp haar de zielen van de mensen te doorgronden, voorspellingen te doen en genezingen te verrichten.Francesca draagt een boek waarop een psalmtekst in de Vulgaatvertaling is te lezen: TENUISTI MANUM DEXTERAM MEAM ET IN VOLUNTATE TUA DEDUXISTI ME ET CUM GLORIA SUSCEPISTI ME U hebt mijn rechterhand gepakt en in uw wil hebt u mij geleid en met eer hebt u mij opgenomen. (Psalm 73:23b-24) Linksonder staat een mand met broden en daarachter zien we een soort sokkel met daarop een kolom die omhoog wijst en deels verdwijnt in de wolken, waarin ook twee engelen (putti) te zien zijn. Guercino gebruikt voor dit werk zijn late stijl, die vaak gekenmerkt wordt door bedachtzamere composities en minder dramatische barokke contrasten dan in zijn beginperiode. Er is aandacht voor detail en voor de menselijke expressie van Francesca. De blik naar boven duidt op mystieke of goddelijke inspiratie. Het boek is zowel attribuut als symbool van devotie en contemplatie. De mand met broden verwijst vermoedelijk naar haar liefdadigheid, waaronder het verdelen van brood aan de armen. De sokkel met kolom zouden kunnen verwijzen naar stabiliteit, standvastigheid in het geloof. De putti in de wolken duiden op de hemelse sfeer, de openstelling naar het goddelijke. Guercino presenteert hier een heilige die zowel mystiek als sociaal actief is: devotie én liefdadigheid gaan hand in hand. Francesca Romana wordt getoond niet in uiterlijke pracht, maar in eenvoud gepaard met symbolen van haar spiritualiteit en haar zorg voor de armen. Haar blik omhoog suggereert haar verbinding met het goddelijke, een moment van visioen of contemplatief gebed, maar zonder overdreven theatrale poses of dramatische scènes. De rust, integriteit en waardigheid komen nadrukkelijk naar voren. Zijn schilderij past in de 17e-eeuwse barok in Italië, waarin heiligenlevens en mystieke ervaringen vaak werden afgebeeld met een zekere emotionaliteit, maar ook met aandacht voor de toeschouwer om te inspireren, troost te bieden, een voorbeeld te stellen. Guercino is hier minder dramatisch dan sommige tijdgenoten, maar subtiel en met grote aandacht voor innerlijke devotie. |
|
Giovanni Francesco Barbieri (genaamd Guercino) (1591-1666)
Francesca Romana con l'angelo (1656-57) Olieverf op doek, 294 x 177 cm Turijn - Galleria Sabauda |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |