Barcelona en MeridaOp de liturgische kalender staan drie vrouwen met de naam Eulalia van wie Eulalia Durocher (1811-1849) op 6 oktober de minst bekende is, want zij is dan ook 'slechts' zaligverklaard in 1982. Zij stichtte als zuster Maria Rosa in 1834 de congregatie van de Soeurs des Saints Noms de Jésus et de Marie (SNJM), Zusters van de Heilige Naam van Jezus en Maria, om jonge meisjes religieus te vormen.Het Roomse Martelaarsboek herdenkt op de liturgische kalender twee martelaressen Eulalia die leefden in de 3e/4e eeuw toen het christendom nog een verboden godsdienst was in het Romeinse Rijk: Op 12 februari: Te Barcelona in Spanje de heilige maagd Eulalia. Ten tijde van keizer Diocletianus heeft zij de foltering met de pijnbank, met ijzeren haken en met vuur moeten doorstaan. Uiteindelijk werd zij aan het kruis gehecht en mocht de roemvolle kroon van het martelaarschap ontvangen.En op 10 december: Te Merida in Spanje het lijden van de heilige maagd Eulalia, die daar onder keizer Maximianus, toen zij nog maar twaalf jaren oud was, op bevel van de landvoogd Dacianus om het christengeloof zeer vele folteringen moest verduren. Ten laatste hing men haar op in de pijnbank, trok haar nagels uit, plaatste aan beide zijden brandende fakkels naast haar en toen die waren uitgebrand, gaf zij de geest.Het lijkt vrij aannemelijk dat beide heiligen teruggaan op één enkele legende en dat twee Spaanse steden haar als eigen patrones-martelares opeisten en de legende naar eigen inzichten aanpasten. In onze streken is de verering voor Eulalia nooit doorgedrongen - hoeveel meisjes zijn naar haar genoemd? - maar in Spanje is zij een van de meest vereerde martelaressen. Op het einde van de 9e eeuw hebben monniken van de abdij Saint-Amand-les-Eaux een in de langue d'oïl (oud-Frans) geschreven vertaling gemaakt van haar Vita, getiteld Cantilene / Séquence de Sainte Eulalie. Dit martelverhaal was een sequens, een kerkelijke lofzang op enkele hoogfeesten gezongen na het halleluja en vermoedelijk in het noordwesten van Frankrijk ontstaan. Eulalia - geboren in 292 volgens de Merida-versie - zou als tiener haar leven aan Christus gewijd hebben en afgezien hebben van alles wat haar leeftijdgenootjes driftig najoegen: ze droeg bijvoorbeeld geen sieraden. Tijdens de christenvervolgingen door de Romeinen hielden haar voorname ouders haar op hun landgoed verborgen. Maar zij vluchtte daar op een nacht van weg, ging over met ruwe stenen, doornen en distels overdekte wegen terug naar de vele kilometers verder gelegen stad en meldde zich vrijwillig met de bekende moed van de ware christen bij rechter Calpurnius die in naam van de beruchte landvoogd Dacianus recht sprak. Voor hem klaagde zij 'welbespraakt' en 'goedgebekt' met de bezonnen wijsheid van volwassenen het heidendom en zijn goden aan, daarbij vol afschuw afgodsbeelden omver stotend en stampvoetend gereedstaand offermeel vertrappend. Let wel dat de naam Eulalia van het Griekse eu laleo, 'goed praten', komt. Daarop volgden haar veroordeling en gruwelijke martelingen en bij haar dood zag men haar engelachtige onschuldige ziel als een duif haar mond verlaten. Haar lichaam zou aan de roofvogels worden gevoerd, maar door een hemelse sneeuwbui werd het met een sneeuwlaag drie dagen bedekt, waarna men haar kon begraven. Een geloofsgenoot sprak haar daarbij toe en het gezichtje van Eulalia antwoordde met een glimlach. De in het Roomse Martelaarsboek opgesomde - zo ongeveer op alle denkbare manieren - wrede martelingen zijn kenmerkend voor tiener-maagd-martelaressen uit het begin van het christendom en lijken uit dezelfde legende-mal te komen. Eulalia behoort tot de vijf wijze maagden die in de adventstijd worden gevierd. |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |