Paul Verheijen

RUBENS

Ansegisel en Sint-Begga

Begga van Andenne

De afbeelding van Ansegisel en zijn vrouw, de heilige Begga, twee figuren uit de Frankisch-Merovingische geschiedenis van het einde van de 7e eeuw, is waarschijnlijk door Rubens geschilderd ​​in verband met een geplande, maar nooit uitgevoerde, dynastiek georiënteerde reeks over de hertogen van Brabant vanaf de semi-legendarische beginperiode tot zijn tijd.

Begga was de dochter van de zaligverklaarde Pippijn I van Landen (±580–639/640; feestdag 21 februari) en de heiligverklaarde Ida van Nijvel (8 mei). Haar zus was de ook heiligverklaarde Gertrudis van Nijvel. Ze trouwde met hofmeier Ansegisel, de zoon van de ook al heiligverklaarde Arnoldus van Metz (18 juli). Uit dit huwelijk werd Pippijn II van Herstal (±635–714) geboren die als stichter van het Karolingische huis wordt beschouwd.

Na de dood van Ansegisel stichtte Begga in 691 een klooster met kerk in Andenne bij Namen. Hier was ze abdis en stierf ze in 693.
Begga wordt - vanwege klankovereenkomst met haar naam - ten onrechte in verband gebracht met de oprichting van de begijnen.
Naast begijnen is zij tevens beschermheilige van hakkelaars en stotteraars, omdat haar naam lijkt op het Franse woord bègues, hakkelaars.
Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als vorstin (soms met drie kronen), of als abdis, vaak met zeven kerken of een kerk met zeven torens in de hand.
Soms wordt zij in verband daarmee symbolisch met een kip en zeven kuikentjes afgebeeld.
Uit de zeven kerken of kapellen groeide later de collegiale kerk van Andenne. Niet ver daar vandaan vloeide een bron, geheten des Poussins. Deze wordt naar haar genoemd 'Fontein van Sinte Begga'. Naar verluidt is het water ervan heet in de winter en koud in de zomer.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt haar op 17 december.
Rubens heeft Begga met haar man afgebeeld in blijde verwachting.

Begga van Cumberland

Er is nog een tweede heilige Begga van wie het levensverhaal zich afspeelt in de zevende eeuw en een mix is van feit en fictie. Ze zou de dochter zijn van een Ierse koning. De zoon van de Noorse koning wilde met haar trouwen, maar Begga had haar maagdelkijkheid aan Christus toegewijd. Ten teken van dit mystieke huwelijk had een negel haar een sieraad met een kruis gebracht. Maar ze werd gedwongen te trouwen. Daags voor het huwelijk zaten haar vader en aanstaande bruidegom stevig te borrelen. Begga maakte daarvan gebruik door te vluchten. Bij het strand aangekomen ging ze op een boomblad staan dat haar over water veilig naar Cumberland bracht. Daar leefde ze als eerste Britse kluizenares. Hartje zomer bouwde ze een cel van sneeuw die nog was blijven liggen. Zeevogels brachten haar voedsel en zeerovers vieen haar lastig. Koning Oswald van Northumbrië raadde haar aan de veiligheid van een klooster op te zoeken. Dat deed ze door zelf een kloosrter te stichten: Saint Bee's. Voor de bouwvakkers bereidde ze eten en waste ze hun kleren. De rest van haar leven zette ze zich in voor de armen. Een deel van haar stoffelijk overschot kwam terecht in het klooster van Whitby waarbij genezingen plaatsvonden die vanzelfsprekend leidden tot een grote toeloop van pelgrims.
Hoewel deze Begga in het Roomse Martelaarsboek niet voorkomt, is haar feestdag op 6 september.

Hagiografen schrijven overigens ook nog over twee andere Begga's: een non uit Yorkshire en een abdis van Kilbees, maar vermoedelijk gaat het hier om deze zelfde Begga van Cumberland. >br>
Peter Paul Rubens (1577-1640)
Ansegisel en Sint-Begga (1612-15)
Olieverf op paneek, 94 x 77 cm
Wenen - Kunsthistorisches Museum
2016 Paul Verheijen / Nijmegen