Paul Verheijen

MARIA

Immaculata

Onbevlekte Ontvangenis van Maria

Het is een moeilijk probleem.
De RK Kerk heeft zelf ook moeite het op een simpele manier uit te leggen.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria zal wel eeuwig foutief verbonden blijven met de maagdelijkheid van Maria die een rol speelt in het verhaal van de Annunciatie.
Dat misverstand is de wereld voorlopig nog niet uit.
Paus Pius IX is het in 1854 blijkbaar niet gelukt zijn geloofsconcept aangaande die Onbevlekte Ontvangenis van Maria vlekkeloos over te brengen.

Het dogma van De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is traditioneel verbonden met de erfzondeleer:
1. Sinds de fout van Adam (en Eva) is ieder mens belast met de erfzonde (wij erven de zonde van Adam)
2. Geen enkel mens kon sindsdien de hemel bereiken
3. Tot de kruisdood van Christus, toen het mogelijk was de hemel weer te betreden, maar pas nadat die mens was gedoopt (vandaar de invoering van de zo snel mogelijke babydoop, want stel dat de baby bijvoorbeeld de wiegedood sterft, dan komt die niet in de hemel)

Het is ondenkbaar dat Christus als zoon van God Adams erfzonde zou hebben, maar óók dat de moeder van Christus deze erfzonde zou hebben.
Dus zowel Christus als Maria hebben geen erfzonde en zijn onbevlekt ontvangen.
Onbevlekt slaat dus op ‘geen erfzonde’ en niet op maagdelijkheid.
De oude katechismus formuleerde het met vraag 59 op deze wijze:
Is er niemand van de erfzonde vrijgebleven?
Niemand is van de erfzonde vrijgebleven, behalve de Allerheiligste Maagd Maria


Voor de (voor)ouders van Maria geldt deze vrijwaring niet meer (want hoever moet je dan teruggaan?).
Dus Anna (die in de bijbel toch niet voorkomt, maar alleen in latere legendes) is wél geboren met de erfzonde.
Het uitbeelden van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria dwong kunstenaars in eerste instantie terug te grijpen op niet allegorische voorstellingen.
Een welkome aanvulling vond men vanaf circa 1000 echter in het Proto-evangelie van Jacobus.
Dit apocriefe geschrift introduceert de ouders van Maria: Anna & Joachim.
Hun ontmoeting bij de Gouden Poort in Jeruzalem werd de plaats van de onbevlekte conceptie en afbeeldingen van een Sint-Anna-te-Drieën verwezen daar ook naar.

Theologische strijd

Vanaf de middeleeuwen werd de strijd over de idee van een onbevlekte ontvangenis in alle hevigheid gestreden tussen de dominicanen en de franciscanen.


De vraag was of Maria bij haar verwekking of geboorte nu wel of niet ‘bevlekt’ was door de erfzonde.
Dominicanen en franciscanen hadden een heel verschillende kijk op het ontstaan van het menselijk leven.
Bij afwezigheid van wetenschappelijke kennis omtrent het ontstaan van het menselijk leven in de baarmoeder, baseerden middeleeuwse theologen zich op de theorieën van de Griekse wijsgeren.

Zo beriepen de dominicanen zich op de theorieën van Aristoteles, de in de middeleeuwen herontdekte filosoof.
Met hem gingen de volgelingen van Dominicus uit van de overtuiging dat slechts de man zaad voortbrengt en dat bij de verwekking van een kind, de vrouw slechts passieve materie (menstruatiebloed) bijdraagt.
Zo werd door de dominicanen het mannelijke dan ook als ‘actief element’ opgevat, en ‘het vrouwelijke’ als passief element.

De franciscanen echter zagen veel meer in de zogenaamde ’tweezadenleer’ van de derde-eeuwse filosoof Galenus.
Omdat voor de verwekking van nieuw leven mannelijk én vrouwelijk zaad elkaar moeten ontmoeten, heeft ‘het vrouwelijke’ bij de volgelingen van Franciscus over het algemeen dan ook een positievere, actievere, betekenis.

In verband met de verwekking van Christus in de schoot van Maria krijgen deze wijsgerig-biologische vooronderstellingen ineens grote theologische gevolgen.
De brief aan de Hebreeën in het Tweede Testament schrijft over Christus immers: Want deze hogepriester kan met onze zwakheden meevoelen omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, maar dan zonder te zondigen. (Hebreeën 4,15).
Dan moet hij dus de erfzonde ook niet gekend hebben.

Dit was voor de dominicanen geen enkel probleem: Christus’ moeder was immers slechts een passieve ontvangster geweest van het actieve (want mannelijke) en zondeloze goddelijke.
Christus was dus in alle gevallen zondeloos, ook wanneer zijn moeder zondig geweest zou zijn.
De idee van een onbevlekte ontvangenis was dus overbodig.

Voor de franciscanen lag dat echter ingewikkelder.
Hun positievere kijk op het vrouwelijke, maakte het nodig om Maria van alle zonde te vrijwaren om zo de zondeloosheid van Christus – vanaf zijn eerste levensbegin – probleemloos te kunnen belijden; anders zou zij immers de erfzonde aan haar zoon hebben doorgegeven.

In 1827 krijgen Galenus en de franciscanen gelijk door de ontdekking van het bestaan van de eicel: het vrouwelijke is inderdaad niet slechts passief en onderdanig, maar draagt actief aan het ontstaan van leven bij.
En 27 jaar later, op 8 december 1854, wordt dus het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis afgekondigd.