Paul Verheijen

CLEMENS I

Paul Bril

Opvolger van Petrus
Pseudo-Clementijnse roman
Landschapschilder Paul Bril
Nieuw paleis
Sala Clementina

Opvolger van Petrus

De Oosterse kerk viert de feestdag van Clemens op 24 november.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op 23 november:
De geboorte van de heilige martelaar paus Clemens I, die als derde opvolger van de zalige apostel Petrus het hoge-priesterambt bekleedde en in de vervolging van Trajanus naar de Chersonesus werd verbannen. Daar werd hij met een anker aan de hals in zee geworpen en aldus als martelaar gekroond. Zijn lichaam werd onder paus Adrianus II* door de heilige gebroeders Cyrillus en Methodius naar Rome overgebracht en in de kerk, die reeds vroeger tot zijn eer gebouwd was, plechtig bijgezet.
* Paus van 867-872
In theologische kringen is Clemens bekend geworden om de aan hem toegeschreven brief aan de Korintiërs, een epistel over het gezag van ambtsdragers in de kerk. Omdat deze brief aansluit bij het werk van de apostelen wordt Clemens gerekend tot de Apostolische Vaders.
Door zijn reputatie steeg het gezag van Rome.
Eusebius van Caesarea schrijft overigens dat Clemens een natuurlijke dood stierf.
Zijn verering als martelaar en de wijze waarop dat is gebeurd zijn dus pas daarna op gang gekomen en bedacht.

Clemens werd verbannen naar Cherson, een stad op de Krim waar hij op bevel van keizer Trajanus met een anker om zijn nek in zee is geworpen en verdronken.
De grote menigte die hier getuige van is, bidt dat God hun het lichaam van Clemens zou tonen.
Onmiddelijk week de zee drie mijl terug en in het drooggevallen gebied vond men een woning in de vorm van een marmeren tempel die door God was gebouwd.
In een schrijn lag daarin het lichaam van Clemens met het anker naast zich.
Ieder jaar in de tijd van zijn marteldood week de zee zeven dagen lang drie mijl terug om de bezoekers een droog pad te verschaffen.
Maar dit wonder hield op toen de bewoners zondig werden, waarna barbaren de tempel verwoestten en de schrijn met het lichaam verdwenen in de golven van de zee.
(Legenda Aurea 166,212-251)

Volgens een andere legende werd hij te Rome in de Tiber verdronken.
Mogelijk is zijn martelaarschap een gevolg van verwarring tussen hem en de tot het christendom bekeerde en heilig verklaarde Romeinse senator Titus Flavius Clemens (±96; feestdag 22 juni).
De kerk van de bijzetting van Clemens' relieken waarover het Roomse Martelaarsboek spreekt, is de San Clemente te Rome.
Cyrillus en Methodius hadden deze ontdekt en meegenomen.

Het anker is traditioneel het oude christelijke symbool van rotsvast geloof.
Mogelijk is de legende van Clemens' marteldood hierdoor ingegeven.
Het anker werd ook het meest afgebeelde attribuut bij hem.

Pseudo-Clementijnse roman

De Legenda Aurea besteedt uitgebreid aandacht aan Clemens I die hier wordt opgevoerd als leerling van Petrus. Jacobus de Voragine baseert zich vooral op de Pseudo-Clementijnse roman. Deze roman is de oudste bekende christelijke roman. De religieuze noties in de roman maken deel uit van de traditie van het vroegchristelijk jodendom. De tekst is bewaard gebleven in een Griekse versie Homilieën (redevoeringen) en een vanuit deze versie vertaald in het Latijn als Recognitiones (herkenningen) door een zekere Rufinus (overleden 410). Het is een pseudepigrafisch werk. In de tekst wordt die toegeschreven aan Clemens I. Het heeft de literaire vorm van een – fictieve – autobiografie waarin Clemens Petrus vergezelt op zijn zendingsreizen naar Syrië. Een brief van Petrus aan Jacobus en een brief van Clemens aan Jacobus gaat vooraf aan de tekst van de Homilieën. In de laatste brief informeert Clemens Jacobus dat Petrus is overleden en hij zijn opvolger is. Beide versies moeten de nu bekende vorm in uiterlijk begin vierde eeuw gekregen hebben. Er zijn enige tekstuele verschillen tussen beide versies maar aanzienlijke delen zijn ook identiek.

Lees hier onder de knop een bewerking van de legende van Clemens zoals opgenomen in de Legenda Aurea.



Clemens komt uit een edel Romeins geslacht. Zijn vader heet Faustinianus en zijn moeder Matidiana. Hij heeft nog twee broers, een tweeling, die luisteren naar de namen Faustinus en Faustus. Zijn moeder is schoon van uiterlijk. Dat ziet de broer van haar man ook en hij ontbrandt in hartstocht voor Matidiana. Daarom lijkt het Matidiana beter het land te verlaten, totdat de vurige liefde van haar zwager is uitgedoofd. Maar omdat zij de ware reden van haar vertrek niet aan Faustianianus wil vertellen om geen vijandschap te wekken tussen beide broers, verzint Matidiana een droom. Ze vertelt dat ze in die droom een god zag dat haar opdroeg met haar tweelingzonen de stad te verlaten. Ze zou pas mogen terugkeren als die god haar dat opdroeg. Als ze de opdracht niet zou uitvoeren zou zij met haar kinderen omkomen. Faustinianus is zeer onder de indruk van deze droom en hij stuurt zijn vrouw met de tweeling naar Athene. Clemens blijft bij zijn vader als troost. Hij is dan vijf jaar.
Op weg naar Athene lijdt Matidiana schipbreuk. De golven werpen haar zonder kinderen op een rots en Matidiana weet niet beter dan dat de tweeling is verdronken. Vol van verdriet bijt ze de vingers van haar handen kapot. Een waardin wier man als schipper was verdronken biedt Matidiana onderdak. Matidiana doet aan handenarbeid ondanks haar bijna dode vingers, totdat het niet langer meer gaat. Omdat de waardin intussen lam is geworden en ook niet meer kan werken gaat Matidiana noodgedwongen bedelen.

Een jaar na het vertrek van zijn vrouw en de tweeling, stuurt Faustinianus gezanten naar Athene om haar en de tweeling op te zoeken en hem over hen te berichten. Maar de gezanten keren niet terug. Dan zendt hij andere gezanten. Die komen wél terug en vertellen dat ze geen spoor hebben kunnen vinden. Dan gaat Faustinianus zelf uit op onderzoek. Hij laat zijn zoontje Clemens in Rome achter. Faustinianus keert nooit meer terug. Zo blijft Clemens twintig jaar verweesd achter en hoort hij taal noch teken van zijn ouders en broers.

Clemens gaat in de leer bij de grote filosofische scholen en ontdekt daar dat de menselijke ziel onsterfelijk is. In die tijd komt Barnabas naar Rome en predikt het geloof in Christus. Hij wordt door Clemens en de filosofen bespot en als nar en idioot beschouwd. Clemens legt hem de volgende vraag voor: 'Waarom heeft een mug zes poten en ook vleugels en is het toch een klein diertje, terwijl een olifant die zeer groot is geen vleugels heeft en slechts vier poten?' Barnabas antwoordt dat zo'n vraag alleen gesteld kan worden door iemand die niet in de Schepper gelooft. Zij die de Schepper niet kennen vergissen zich in Zijn schepsels. Dit antwoord maakt zo'n diepe indruk op Clemens dat hij in de leer gaat bij Barnabas en christen wordt. Clemens vertrekt dan naar Judea naar de apostel Petrus die hem onderwijst in het christelijke geloof in de onsterfelijke ziel.

In diezelfde tijd gebeurt het dat twee leerlingen van Simon de Tovenaar, Aquila en Nicetas geheten, erachter komen dat Simon een bedrieger is. Zij vluchten naar Petrus en worden diens leerling. Op een dag vraagt Petrus aan Clemens wanneer hij geboren is. Dan vertelt Clemens wat er met zijn ouders en tweelingbroers is gebeurd. Als Petrus dat hoort, kan hij zijn tranen niet bedwingen.

Op een keer gaat Petrus met zijn leerlingen naar het eiland waar Matidiana woont. Daar staan glazen zuilen van wonderbaarlijke grootte. Als Petrus er vol bewondering naar kijkt, staat Matidiana voor hem en vraagt hem om een aalmoes. Petrus spreekt haar bestraffend toe en verwijt haar dat ze niet leeft van handenarbeid. Matidiana vertelt Petrus dat haar vingers geen gevoel meer hebben omdat ze die uit verdriet om haar verdronken tweeling kapot heeft gebeten en dat ze er spijt van heeft dat ze zichzelf destijds niet van het leven heeft beroofd. Petrus is hier verbaasd over. Weet Matidiana dan niet dat de zielen van zelfmoordenaars na hun dood zwaar gepijnigd worden? 'Was ik er maar zeker van dat de ziel voortleeft na de dood, dan zou ik mezelf zeker doden, zodat ik mijn lieve kinderen zou kunnen zien, al was het maar voor een uurtje,' verzucht Matidiana. Als Petrus vervolgens vraagt wat dan de oorzaak is van haar grote droefheid, vertelt zij hem de hele geschiedenis. Petrus deelt haar mee dat een leerling van hem, Clemens genaamd, hetzelfde verhaal vertelt over zijn vader en moeder. Matidiana valt van grote schrik ter aarde. Als ze weer bij zinnen is zegt ze tegen Petrus dat zij de moeder van Clemens is en hem snel wil ontmoeten. Als ze hoort dat Clemens zich op het schip bevindt, neemt ze Petrus bij haar hand en begeeft zich naar de haven. Clemens ziet Petrus aan komen lopen, hand in hand met een vrouw en hij begint te lachen. De vrouw komt naar hem toe, valt hem om zijn hals en kust hem. Clemens stoot haar van zich af alsof ze een krankzinnig wijf is. 'Clemens, lieve zoon, wat doe je nu? Stoot je moeder niet van je af', roept Petrus. Clemens herkent dan zijn moeder en huilend valt hij haar in de armen. Petrus nodigt dan de lamme waardin uit bij hem te komen. Hij geneest haar onmiddellijk. Clemens moeder informeert naar Faustinianus. Als ze hoort dat hij van zijn zoektocht naar haar nooit is teruggekeerd, zucht ze diep. Maar omdat ze zo blij is dat ze haar zoon terugziet, vergeet ze over Faustinianus te treuren.

Nicetas en Aquila zijn bij deze ontmoeting van Clemens en zijn moeder afwezig. Als ze naar Petrus komen en de vrouw zien, vragen ze wie zij is. Clemens neemt hen apart en antwoordt: 'Het is mijn moeder die God mij heeft teruggeven door mijn meester de heilige Petrus.' En Petrus vertelt hen vervolgens alles wat er is gebeurd. Nicetas en Aquila schrikken zich wezenloos, wrijven hun gezicht en onthullen dat zij Faustinus en Faustus zijn, die hun moeder verdronken waant in de zee. Ze lopen naar Matidiana en vallen haar in de armen. 'Wat heeft dat te betekenen?' zegt Matidiana verbaasd. Als Petrus haar vervolgens meedeelt wie de twee zijn, stort ze van vreugde halfdood ter aarde. Als ze weer bij zinnen is vertelt de tweeling haar dat ze na de schipbreuk zijn gered door zeepiraten die hun een nieuwe naam gaven. Ze werden verkocht aan een weduwe, Justina genaamd, die de opvoeding ter hand nam alsof het haar eigen kinderen waren. Ze gaven zich over aan de filosofie en werden volgeling van Simon de Tovenaar. Maar toen ze zijn bedrog hadden ontmaskerd werden ze leerling van Petrus.

De volgende dag gaat Petrus met de drie broers naar een geheime plaats om er te bidden. Daar is ook een haveloze grijsaard die gelooft in astrologie en zegt dat hun geloof een vergissing is. Er is geen God of een Voorzienigheid en er is geen godsdienst, meent hij. Alles heeft te maken met toeval en het uur van je geboorte. Petrus meent zijn gezicht te herkennen. Hij verbiedt de broers iemand op aarde Vader te noemen, maar Aquila noemt de oude man bij toeval toch Vader.

De oude man vertelt over zijn vrouw die vanwege de avances van zijn broer naar Athene was gevlucht met haar tweelingzoons. Maar al het ongeluk is niemand te verwijten, want het is met het uur van de geboorte van elk mens vastgelegd. Als Aquila en Nicetas dat horen willen ze hem alles openbaren, maar Petus houdt hen tegen en vraagt de oude man: 'Als jouw vrouw heden rein en kuis leeft en ook jouw drie zonen, geloof je dan wél dat het uur van je geboorte geen enkele invloed heeft?' Als de oude man dit weigert te geloven, maakt Petrus bekend wie zijn drie leerlingen zijn. De grijsaard zakt door zijn knieēn en valt op de grond. Zijn zoons werpen zich op hem en kussen hem. Ze zijn bang dat hij niet meer bij zinnen komt. Als hij weer bij zijn positieven komt, voegt ook zijn vrouw plotseling zich bij hem. Hij omhelst haar en weent zeer.

Na deze hereniging komt iemand melden dat Apio en Ambio, twee vrienden van Faustinianus, zijn gekomen en onderdak hebben gevonden bij Simon de Tovenaar. Faustinianus gaat hun met een bezoek vereren. Intussen komt er ook een bode die meldt dat een ambtenaar van de keizer naar Antiochië komt om alle tovenaars te zoeken om hun de doodstraf te geven. Simon de Tovenaar drukt met een zalfje - uit wraak dat de zoons van Faustinianus hem hebben verlaten - de trekken van zijn eigen gezicht op Faustinianus, opdat de dienaren van de keizer hem zouden oppakken en ter dood brengen. Zelf vlucht hij weg. Als Faustinianus terugkeert bij Petrus en zijn zoons, schrikken zijn zoons van zijn gelaat, hoewel ze de stem van hun vader horen. Alleen Petrus ziet het eigen gezicht van Faustinianus. Maar zijn vrouw en zoons vluchten van hem weg. Als Petrus vraagt waarom ze wegvluchten van hun vader antwoorden ze dat hij het gezicht van Simon de Tovenaar heeft. Faustinianus jammert dat hij op één door vrouw en zonen wordt herkend, maar niet samen gelukkig kan zijn. Zijn vrouw trekt daarop haar haren los en zij en beide zonen huilen bittere tranen.

Simon de Tovenaar had Petrus ooit een tovenaar en een moordenaar genoemd en het volk opgehitst hem te doden en met hun tanden zijn vlees te verscheuren. Hij vraagt Faustinianus naar Antiochië te gaan en daar met het gezicht van Simon de Tovenaar tot het volk te spreken en uitsluitend met lovende woorden over Petrus te spreken.

De oude grijsaard doet dit en als dank geeft Petrus hem zijn eigen gezicht terug. Het volk van Antiochië ontvangt Petrus welgezind en verheft hem op de bisschopszetel.

Petrus begeeft zich vervolgens naar Rome en omdat hij weet dat zijn martelaarschap nadert, draagt hij Clemens op zijn opvolger te worden, Als Petrus inderdaad in Rome ondersteboven wordt gekruisigd volgt Clemens hem niet onmiddellijk op, want hij is voorzichtig en wil voorkomen dat een paus zijn eigen opvolger kiest. Daarom maakt hij eerst plaats voor Linus en vervolgens voor Cletus. Na diens dood wordt Clemens tot paus gekozen. Hij leeft zo onberispelijk dat hij geliefd is bij de joden, de heidenen en alle christenen. Voor elke stadswijk heweft hij een namenlijst met armen en staat niet toe dat gedoopten gaan bedelen.

Clemens bekeert Theodora, de vrouw van Sisinnius, een vriend van de keizer. zij belooft geen omgang meer met haar man te hebben. Sisinnius wordt verteerd door jaloezie en volgt zijn vrouw naar de kerk om te weten te komen waarom ze daar zo graag naar toe gaat. In de kerk aangekomen wordt hij plotseling blind en doof en hij geeft zijn knechten de opdracht hem snel uit de kerk te leiden. Maar hoe ze ook zoeken, de knechten kunnen de uitgang van de kerk niet vinden. Theodora bidt daarop tot God en de knechten leiden hun heer naar buiten. Ze vraagt Clemens haar man te genezen en na diens gebed kan Sisinnius weer horen en zien. Maar Sisinnius ziet Clemens naast zijn vrouw staan. Hij raakt buiten zinnen en meent dat Clemens hem heeft betoverd om zijn vrouw te kunnen schaken. Zijn knechten krijgen de opdracht Clemens te grijpen en aan een zuil vast te binden. Als de knechten een zuil verslepen om hem daaraan vast te binden roept Clemens hun toe: 'Omdat jullie stenen als goden vereren, moeten jullie nu met een steen zeulen.' Sisinnius meent dat Clemens goed is vastgebonden en wil hem doden, maar Clemens weet te ontkomen. Hij vraagt Theodora voor hem te bidden. In haar gebed verschijnt Petrus met de woorden: 'Jouw echtgenoot zal door jou gered worden, opdat vervuld wordt, wat mijn broeder Paulus sprak: een ongelovige man zal door een gelovige vrouw behouden worden.' Spoedig hierna vraagt Sisinnius zijn vrouw voor hem te bidden en Clemens te laten komen. Clemens leert hem vervolgens het christelijke geloof en doopte hem met 313 mensen van zijn huis.

En Sisinnius op zijn beurt maakt velen gelovig. Dat zint de overste van de tempel geenszins en hij deelt veel geld uit onder het volk om een opstand tegen Clemens te beginnen. Mamertinus de prefect van de stad wil het oproer niet leiden en laat Clemens bij zich komen. Hij scheldt Clemens uit en probeert hem tot het Romeinse geloof te bekeren, maar Clemens dient hem van repliek met de woorden: 'Liever zou ik u tot kennis van de Waarheid brengen, want zie, ook als veel honden tegen ons blaffen en bijten, kunnen ze ons niet ontnemen dat wij verstandige mensen zijn, maar zij zelf blijven domme honden; dus heeft ook een opstand die door onwetende lieden op touw wordt gezet, niets zekers of waars in zich.' Hierna schrijft Mamertinus aan keizer Trajanus. Die geeft als antwoord dat hij Clemens moet dwingen een Romeins offer te brengen. Doet hij dat niet dan moet hij Clemens verbannen naar een eiland in de Zwarte Zee. Dat laatste gebeurt.

Op het eiland bevinden zich tweeduizend christenen, die al sedert lange tijd daar in ballingschap zitten. Als dwangarbeid moeten zij in de mijnen marmer uithakken. Als ze Clemens zien, huilen en klagen ze veel. Allen roepen uit één mond: 'Bid voor ons, heilige Clemens, opdat wij waardig mogen worden de beloften van Christus.' Clemens geeft hun vertroosting en zegt: 'Niet om mijn verdiensten is het, dat de Heer mij tot u heeft gezonden om deelgenoot te worden van uw martelaarskroon.' Ze vertellen Clemens dat ze water van zes mijlen weg op hun schouders moeten halen. Clemens zegt: 'Laat ons allen bidden tot de Heer Jezus Christus, dat hij voor zijn gelovigen op deze plaats een bron laat ontspringen, want als God in de woestijn bij de Sinaï een bron kan slaan, zal hij ook ons een rijke waterbron schenken.' Na dit gebed kijkt Clemens om zich heen en ziet een lam staan met zijn rechterpoot omhoog die wijst naar een bepaalde plaats. Dan merkt Clemens alleen dat het lam Jezus Christus zelf is. Hij loopt naar de aangewezen plaats en zegt: 'In naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest: graaf op deze plek!' Maar niemand durft naar deze plaats te gaan omdat het lam daar staat. Dus neemt Clemens zelf een kleine bijl en slaat met zachte klappen onder de voet van het lam door. Direct ontspringt er een grote bron die tot een rivier wordt. Allen verheugen zich zeer en Clemens zegt: 'Er komt een wijdvertakte rivier vreugde brengen in de stad van God.' Na het bekend worden van dit wonder geloven alle volkeren uit de omtrek in Christus de Heer. Velen komen naar Clemens. Op een dag worden meer dan vijfhonderd mensen door hem gedoopt. Ze vernielen de tempel van de afgoden en bouwen in één jaar 75 kerken in het land.

Drie jaar later hoort keizer Trajanus dit en stuurt hij een bevelhebber naar dat gebied. Als die ziet dat allen met vreugde bereid zijn de marteldood te sterven, laat hij hen ongemoeid en pakt alleen Clemens op. Hij hangt hem een anker om de nek en werpt hem in de zee terwijl hij zegt: 'Moge hij en de Christenen nooit meer hun God vereren.' Als het volk op het strand staat, roepen Cornelius en Phoebus, twee leerlingen van Clemens iedereen op te bidden dat God het lichaam van Clemens toont. En zie, onmiddellijk wijkt de zee drie mijlen terug, zodat zij met droge voeten er naartoe kunnen lopen. Ze vinden een huis van marmer gebouwd als een tempel, door God gemaakt. Daarin ligt Clemens' lichaam in een sarcofaag met het anker enaast. Zijn leerlingen krijgen het bericht het lichaam daar te laten liggen. En elk jaar rond het tijdstip van zijn marteldood gebeurt het dat de zee drie mijlen terug wijkt, zeven dagen lang, om de pelgrims een droge toegang te verschaffen.

In een bepaald jaar gebeurt het dat een vrouw met haar zoontje ook naar deze plaats komt. Wanneer de feestelijkheden voorbij zijn, sterft het kind. Plotseling klinkt het geluid van de terugkerende golven. De vrouw schrikt hier zo van dat ze haar kind vergeet en met de andere pelgrims naar de oever vlucht. Vlak daarna herinnert zij zich haar kind en huilt en weent ze zeer. Haar stem stijgt op ten hemel. Roepend en schreeuwend loopt ze heen en weer langs de kust om het lijk van het kind te ontdekken als de golven het op het strand werpen. Uiteindelijk geeft ze de hoop op en gaat naar huis. Een jaar lang brengt ze door in treurnis en geween. Als een jaar later de zee weer terugwijkt, loopt ze sneller dan de andere pelgrims vooruit naar de plaats om misschien nog een spoor van haar kind te vinden. Ze werpt zich in gebed neer voor het graf van Clemens. Als ze opstaat ziet ze haar kind op dezelfde plek liggen waar ze hem had achtergelaten. Ze is ervan overtuigd dat hij dood is en loopt ermaar toe om het lichaam mee te nemen. Dan bemerkt ze dat het kind slaapt. Ze maakt hem wakker en toont hem met haar armen voor het volk omhooggeheven. Ze vraagt haar zoontje waar hij het afgelopen jaar is geweest, maar het kind antwoordt dat hij niet weet dat er een heel jaar voorbij is gegaan. Hij heeft slechts één nacht heerlijk geslapen.

Na vele jaren leven de inwoners van het eiland op zondige wijze. Barbaren vallen het land binnen en vernielen de tempel. De sarcofaag met het gebeente van de heilige wordt door de vloed verzwolgen. Een zekere Philosophus gaat later op zoek naar de relikwieën. Onder luid gebed en gezang weet hij het lijk met het anker te vinden op Gods aanwijzing. Het lijk wordt naar Rome gebracht. Tijdens de reis gebeuren er nog vele wonderen en met groot eerbetoon wordt Clemens ter aarde besteld in de kerk die nu San Clemente wordt genoemd.
(Bewerking Legenda Aurea 166,1-255)

Landschapschilder Paul Bril

Karel van Mander in zijn Schilderboek:
Paul Bril leerde de beginselen van de kunst in Antwerpen bij een onbelangrijk schilder, Damiaen Wortelmans. Aanvankelijk beschilderde hij deksels van clavecimbels en dergelijke in waterverf; hiervan moest hij tot zijn veertiende jaar bestaan. Van Antwerpen ging hij naar Breda, vandaar weer naar Antwerpen, en verder trok hij buiten medeweten van zijn familie, die ertegen was dat hij het land verliet, op zijn twintigste naar Frankrijk. Vanuit Lyon, waar hij een tijdlang woonde, ging hij met zijn broer naar Rome. Deze was daar vroeger al eens heen geweest. Bij hem heeft hij grote vorderingen in de kunst gemaakt, vooral in het landschapschilderen, hoewel hij in zijn jeugd heel moeilijk leerde. Een van zijn belangrijkste werken is een groot fresco dat een landschap voorstelt, met een lengte van achtenzestig voet en de hoogte van de nieuwe zaal in het pauselijk paleis. Dit maakte hij in 1602. Er komt de geschiedenis op voor van de heilige Clemens, die men een anker gebonden in het water werpt. In de lucht ziet men engelen. Het is prachtig om te zien. In het zomervertrek van de paus zijn van hem nog zes mooie landschappen, waar enkele naar de werkelijkheid geschilderde rijke kloosters buiten Rome op voorkomen. De paus heeft deze onder zijn gezag en zij zijn heel mooi in de bergen gelegen.

Nieuw paleis

Sixtus V gaf de opdracht voor de bouw van een nieuw pauselijk paleis.
Het oude paleis dat zo mooi werd versierd door Michelangelo en Rafaël werd verlaten.
Voor de vele audiënties en ontvangsten van de paus werden op de tweede verdieping twaalf zalen ingericht.
Clemens VIII liet vervolgens de grootste audiëntiezaal, de Sala Clementina, met fresco's versieren.
Hij huurde Paul - Paolo - Bril in om een fresco te maken van zijn illustere voorganger Clemens I Romanus.
Men vermoedt dat de personen links op het fresco zijn geschilderd door Cherubino Alberti (1553–1615) en zijn broer Giovanni (1558–1601).
Bril nam de meest dramatische scène uit het legendarische leven van Clemens: zijn marteldood.

Omdat Clemens probeerde gevangenen te bekeren, werd hij aan een anker gebonden in zee gegooid.
Toen Clemens in zee werd gegooid, waren Cornelius en Phoebus, twee van zijn meest trouwe leerlingen, en tal van gelovigen op de oever achtergebleven.
Ze baden om zijn lichaam te mogen zien: de zee trok zich terug en ze konden toen een marmeren tempel te voet bereiken, waar zijn stoffelijk overschot lag.

Mogelijk dat de puntige ster onder de boot naar deze tempel verwijst.
Door de beide ronde patrijspoorten doet deze boot overigens denken aan uitbeeldingen van de grote vis waarin Jona vertoefde nadat hij van een boot was gegooid als vermeende veroorzaker van een storm.

Sala Clementina

De Sala Clementina was de grootste audiëntiezaal en dat Paul Bril hiervoor de opdracht kreeg, laat zien welk aanzien hij genoot.
Vooral heuvelachtige landschappen waren zijn specialiteit.
Hij gebruikte atmosferisch perspectief om diepte weer te geven: felle kleuren op de voorgrond, blauw-achtige kleuren op de achtergrond.
Vaak zijn er in een hoekje van zijn schilderijen mensen weergegeven om de grootsheid van de natuur te benadrukken.
De landschappen zijn vaak geïdealiseerd, met bruggetjes, prieeltjes en kastelen op de achtergrond.
Na zijn tijd bij de paus werd Bril het hoofd van de St. Lucasacademie van Rome, de belangrijkste kunstacademie van de stad.
Ondanks dit succes is Paul Bril in Nederland in de vergetelheid geraakt.
Paul Bril (1554-1626)
Martelaarschap paus Clemens Romanus (1599-1601)
Fresco
Vaticaanstad - Sala Clementina
2016 Paul Verheijen / Nijmegen