Dure onzin?Een belangrijk moment in de kerkgeschiedenis was de stichting in 910 van het benedictijnse klooster van Cluny door Berno (feestdag 13 januari). Het werd een centrum van vernieuwing, zowel van het kloosterwezen zelf als van de kerk. Er kwam een beweging tot stand voor herstel van de spiritualiteit en het morele niveau in de kloosters. Ook de kerkelijke kunst zou van deze opleving profiteren. Beeldhouwwerk werd een vast onderdeel van de kerkdecoratie zowel voor binnen als buiten. Motieven van dieren en fantasiewezens verschenen bijvoorbeeld op de kapitelen van zuilen. Discussie hierover gaat over de vraag of deze een diepere betekenis hebben of als grillen van de bouwmeesters. Bernardus van Clairvaux die de laksheid van Cluny hevig bekritseerde, uitte zich vrij duidelijk over deze wezens:Maar in de kruisgang, waar de broeders stichtende boeken lezen, wat doen daar die groteske monsters, die vreemde, wanstaltige mooie gestalten en mooie wanstaltigheden? Wat doen daar die vieze apen, woeste leeuwen, bizarre centauren, halfmensen, gespikkelde tijgers, vechtende soldaten, jagers die op hun hoorn blazen? Op de ene plek zie je meerdere rompen die samen één hoofd delen, ergens anders meerdere koppen op één lichaam. Je ziet viervoeters met een slangenstaart, vissen met vier poten, dieren die paardrijden. De variatie aan vormen is zo groot dat je meer zin zou hebben in het ontcijferen van het marmer dan in het uitpluizen van de handschriften. Liever zou je de hele dag doorbrengen met dat alles stuk voor stuk te bewonderen dan na te denken over Gods geboden. Mijn God, als men zich dan niet schaamt voor al die onzin, waarom houdt men dan tenminste geen rekening met wat het allemaal wel niet kost. |
Farinier
Een van de best bewaarde gebouwen van de abdij van Cluny is de oude meelzolder, ofwel Farinier. Dit was vroeger de opslagplaats voor het graan van de monniken. De ruimte zelf is indrukwekkend groot. Hier zien we acht kapitelen op afgeknotte zuilen, afkomstig uit het verwoeste koor van de grote kerk. Ze behoorden tot de oorspronkelijke rotonde van het abdijkoor. Ze vertegenwoordigen de grote kunst van de beeldhouwkunst van Cluny in de 11e eeuw en tonen figuren, bijbelse scènes en de allegorieën van de acht muzikale alfabetische modi die de basis vormden voor bijna alle westerse muziek in de middeleeuwen. Deze notatie wordt - historisch onzeker - toegeschreven aan de tweede abt van het klooster: Odo.
|
Odo van Cluny
(Parijs-Bibliothèque National de France MS lat. 1186, fol. 3v) Odo zelf leefde zeer ascetisch en bekommerde zich om zieken en behoeftigen. Een rijk leven als abt was hem een doorn in het oog. Hij kon geen arme ontmoeten zonder hem rijkelijk te voorzien. Als hij een gebrekkige tegenkwam, leende hij hem zijn paard en begeleidde hij hem te voet. Europa beschouwde hij als een eenheid en was daarmee zijn tijd ver vooruit. Het christendom beschouwde hij daarin als de verbindende factor. Odo wordt gezien als de grondlegger van de alfabetische muzieknotatie, A-B-C-D-E-F-G waarna hij, vanwege de octaaf, terugkeert naar de A. Waarschijnlijk heeft hij ook de ‘B rotundum’ als bes geïntroduceerd. Voor de muziektheorie zou hij van betekenis zijn geweest door het schrijven van Dialogus de musica. Zeker is dit echter niet, aangezien het document anoniem is. Maar Odo is wel de patroon van de musici geworden. Odo stierf in 942 in Tours en werd daar bijgezet in de Saint-Julien. In 1407 werd hij heiligverklaard. Het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op 18 november, de octaafdag van het feest van Sintmaarten, maar de benedictijnen en de daarvan afgeleide ordes van de cisterciënzers en trappisten doen dat op 11 mei, samen met andere heiligverklaarde abten van Cluny. |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |