Paul Verheijen

VAN EYCK

Jan van Eyck (gestorven in 1441) veroorzaakte een van de grootste revoluties in de kunsthistorie.
Met zijn virtuoze techniek zorgde hij ervoor dat hij nu een niet meer weg te denken plaats heeft in de schilderkunst.
Hij schilderde het kleinste plantje en het verste vergezicht met een ongekend gevoel voor licht en reflectie.
Zijn loopbaan begon rond 1420 aan het het hof van Jan van Beieren in Den Haag en zette zich vijf jaar later voort in Vlaanderen bij Filips de Goede van Bourgondië, een van de rijkste en machtigste mannen van Europa.
Als diens hofschilder bewoog Van Eyck zich in de hoogste adellijke en maakte hij diplomatieke reizen door heel Europa.
Al die ervaringen verwerkte hij in zijn schilderijen en zijn vernieuwende kunst had direct een enorm succes.
Van de Nederlanden tot Oost Europa en Italië werd zijn werk maatgevend.
Met zijn wetenschappelijke kennis, observatievermogen en olieverftechniek schilderde hij de wereld zoals niemand hem ooit had voorgedaan.
Hij zette zijn tijdgenoten – en ons vandaag – tegelijk op het verkeerde been met illusionistische weergave van sculpturen.
Hoewel zijn werk nog stevig geworteld is in de gotiek van de late middeleeuwen, wordt Jan van Eyck gezien als de stamvader van het realisme in de schilderkunst.
Wereldwijd zijn er van deze Vlaamse meester slechts een twintigtal werken bewaard.