Daniël is de vierde 'grote profeet' op wiens naam een bijbelboek staat dat de enige bron van informatie over hem is. De joodse Tenach plaatst het boek in het derde hoofddeel tussen de boeken Ester en Ezra-Nehemia. Daniël wordt in het jodendom gezien als een apocalypticus, een onthuller van de toekomst. Christelijke bijbeluitgaven plaatsen het echter tussen de
drie grote en twaalf kleine profeten, waardoor Daniël een ‘profetisch’ boek wordt, een spreekbuis van God. Bovendien bevat het boek in die bijbeluitgaven meer tekst. De NBV21 heeft deze ‘extra’ tekst gerangschikt onder de deuterocanonieke boeken bij ‘Toevoegingen aan Daniël’ met de letters A, B en C.
Het boek kun je - inclusief de latere deuterocanonieke toevoegingen - grofweg in drieën verdelen (zie onder). De oudste handschriften zijn in verschillende talen overgeleverd.
Verering
Volgens de overlevering kwamen de relieken van Daniël enige eeuwen na zijn dood in de Egyptische stad Alexandrië terecht, waarvandaan ze werden overgebracht naar Venetië.
In de catacomben, de begraafplaatsen van de christenen uit de eerste eeuwen, treffen we herhaaldelijk de afbeelding aan van Daniël temidden van de leeuwen.
De eerste christenen zagen in hem een voorafbeelding van Christus, want zoals Daniël aan de ondergang was ontsnapt en heelhuids uit de krochten van de onderwereld tevoorschijn was gekomen, zo was Jezus aan de macht van de duivel, het kwaad, ontkomen en uit de onderwereld, de plaats van de dood, tevoorschijn getreden.
Daniël wordt gewoonlijk afgebeeld als jongeman met frygische muts, een puntmuts waarvan de ronde punt iets voorover valt.
Hij is patroon van bergbeklimmers en mijnwerkers, zijnde riskante beroepen, waar de de dood altijd op de loer ligt, zoals bij Daniël in de kuil (mijn) met de leeuwen.
Zijn feest wordt door de kerk gevierd op 19 maart (ethiopische kerk), of 21 juli (westerse kerk), of 17 december (byzantijnse kerk).
Deel 1 - Daniël 1:1 - 6:29
Daniël 1:1 - 2:4a is ons overgeleverd in het Hebreeuws en 2:4b - 6:29 in het Aramees.
Hoofdstuk 1: Aan het Babylonische hof.
De aankomst in Babylonische ballingschap en de lotgevallen van Daniël en zijn drie vrienden Chananja, Misaël en Azarja, die in Babylon respectievelijk de namen Beltesassar, Sadrak, Mesak en Abednego krijgen. Zij krijgen toestemming de Joodse spijswetten te handhaven en stellen het ondanks alles toch goed.
Hoofdstuk 2: De droom van Nebukadnessar.
Daniël legt deze droom uit waarin hij vier wereldrijken voorspelt. Na het gouden Babylonische rijk zal er een zilveren rijk komen, daarna een bronzen rijk en daarna een ijzeren rijk; dit ijzeren rijk raakt vermengd met leem en wordt ten val gebracht. Het rijk van God zal uiteindelijk alles overheersen.
Hoofdstuk 3: Het gouden beeld.
Omdat ze weigeren dit afgodsbeeld van Nebukadnessar te aanbidden komen de drie vrienden van Daniël in de vurige oven. Dat is hun straf, maar God stuurt een engel en beschermt ze tegen het vuur. In dit hoofdstuk komt Daniël niet voor.
Op een dag gaf koning Nebukadnessar opdracht een gouden beeld te maken, zestig el hoog en zes el breed, en hij liet het opstellen in de provincie Babel, in de vlakte van Dura. Vervolgens ontbood hij de satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies; ze moesten de inwijding bijwonen van het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht. De satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies kwamen bijeen om het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht in te wijden. Ze stelden zich op voor het door Nebukadnessar opgerichte beeld. Een heraut riep met luide stem: ‘Volken en naties, welke taal u ook spreekt, luister naar dit bevel. Zodra u de muziek hoort van hoorn, panfluit, lier, luit, harp, dubbelfluit en andere instrumenten, valt u op uw knieën neer en buigt u in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht. Wie niet neerknielt en buigt, zal onmiddellijk in een brandende oven worden gegooid.’ En dus knielden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, zodra ze de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, harp en andere instrumenten hoorden, en bogen zij in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht.
Enkele Chaldeeën namen de gelegenheid te baat om de Judeeërs te beschuldigen. Zij traden naar voren en zeiden tegen koning Nebukadnessar: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! U hebt bevolen dat iedereen die de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, harp, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op zijn knieën moet neervallen en het gouden beeld moet aanbidden, en dat ieder die weigert in een brandende oven moet worden gegooid. Er zijn enkele Judese mannen aan wie u het bestuur over de provincie Babel hebt opgedragen, Sadrach, Mesach en Abednego. Deze mannen storen zich niet aan uw bevel, majesteit. Ze vereren uw goden niet en buigen niet voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’
Nebukadnessar barstte in woede uit en beval Sadrach, Mesach en Abednego bij hem te brengen. Toen de mannen voor de koning waren geleid, voer Nebukadnessar uit: ‘Is het waar, Sadrach, Mesach en Abednego, dat jullie mijn goden niet vereren en niet willen neerknielen voor het gouden beeld dat ik heb opgericht? Luister goed, als jullie je bereid tonen om, zodra je de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, harp, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op je knieën te vallen en in aanbidding te buigen voor het beeld dat ik gemaakt heb ... Maar weigeren jullie te buigen, dan worden jullie onmiddellijk in een brandende oven gegooid. En welke god zal jullie dan uit mijn handen kunnen redden?’ Sadrach, Mesach en Abednego zeiden hierop tegen koning Nebukadnessar: ‘Wij vinden het niet nodig uw vraag te beantwoorden, want als de God die wij vereren in staat is ons te redden uit een brandende oven en uit uw handen, dan zal Hij ons redden. Zo niet, weet dan, majesteit, dat wij uw goden niet vereren, noch buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’
Nebukadnessar werd razend, en met een van woede vertrokken gezicht keek hij Sadrach, Mesach en Abednego aan. Hij gaf opdracht de oven zevenmaal heter op te stoken dan men gewoonlijk deed. En hij beval enkele van de sterkste mannen uit zijn leger om Sadrach, Mesach en Abednego te knevelen en in de brandende oven te gooien. De mannen werden gekneveld en met kleren en al, met jassen, broeken en mutsen, in de brandende oven gegooid. Omdat het bevel van de koning strikt was opgevolgd en de oven uitzonderlijk heet was gestookt, werden de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego naar boven brachten door de uitslaande vlammen gedood. De drie, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen gekneveld in de laaiende oven.
Toen sloeg de schrik koning Nebukadnessar om het hart. Hij stond haastig op en zei tegen zijn raadsheren: ‘Wij hebben toch drie geknevelde mannen in het vuur gegooid?’ Zij antwoordden: ‘Zeker, majesteit.’ Hij vervolgde: ‘Maar ik zie vier mannen vrij rondlopen in het vuur. Ze zijn ongedeerd en de vierde lijkt op een godenzoon!’ Nebukadnessar liep naar de deur van de brandende oven en riep: ‘Sadrach, Mesach en Abednego, dienaren van de allerhoogste God, kom naar buiten, kom hier!’ Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abednego uit de vlammen naar buiten. De satrapen, stadhouders, gouverneurs en raadsheren van de koning drongen naar voren. Ze bekeken de mannen en zagen dat het vuur geen vat had gekregen op hun lichaam. Geen haar op hun hoofd was verschroeid, hun jassen waren nog heel, er hing zelfs geen brandlucht om hen heen.
Nebukadnessar nam het woord. Hij zei: ‘Geprezen zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn engel heeft gezonden en zijn dienaren gered. Zij hebben op Hem vertrouwd, zij hebben het bevel van de koning genegeerd en hun lichaam prijsgegeven, omdat zij voor geen andere dan hun eigen God willen neerknielen of buigen. Daarom vaardig ik het bevel uit dat eenieder, van welk volk, welke natie of taal ook, die zich oneerbiedig uitlaat over de God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken wordt gehakt en dat zijn huis in puin wordt gelegd, want er is geen god die kan redden als deze.’ Vervolgens gaf de koning Sadrach, Mesach en Abednego een hogere positie in de provincie Babel. (Daniël 3:1-30)
Hoofdstuk 4: Nebukadnessar door de mensen verstoten.
In Nebukadnessars tweede droom wordt zijn hoogmoed gestraft met een tijdelijke geestesziekte, waarbij hij gras eet als een rund.
Op zekere dag richtte koning Belsassar voor zijn duizend machthebbers een groot feestmaal aan, en in gezelschap van deze machthebbers dronk hij wijn. Beneveld door de wijn gaf Belsassar opdracht de gouden en zilveren bekers tevoorschijn te halen die zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had meegenomen, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen daaruit konden drinken. Men haalde de gouden bekers die uit de tempel van Jeruzalem, het huis van God, waren meegenomen en de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen dronken eruit. Ze dronken wijn en prezen hun goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. Terwijl ze dat deden verschenen er vingers van een mensenhand die iets op het pleisterwerk van de wand van het koninklijk paleis schreven, tegenover de luchter, zodat de schrijvende hand goed zichtbaar was voor de koning. Hij trok wit weg, in verwarring gebracht door zijn gedachten. Hij stond te trillen op zijn benen en zijn knieën knikten. Luidkeels riep hij om de bezweerders, de Chaldeeën en de waarzeggers. De koning richtte zich tot de wijzen van Babylonië: ‘Wie deze tekens kan lezen en mij kan zeggen wat er staat, zal in purper gekleed worden, een gouden keten om zijn hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’ Alle wijzen van de koning traden naar voren, maar zij konden de tekens niet lezen en de koning niet zeggen wat er stond. Koning Belsassar was daarover zeer ontdaan, zijn gezicht werd nog bleker, en ook zijn machthebbers waren onthutst.
Het rumoer van de koning en zijn machthebbers had de koningin naar de feestzaal gebracht. Zij zei: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Laten uw gedachten u niet in verwarring brengen, het is niet nodig zo bleek te worden van schrik. Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden woont. In de dagen van uw vader bewees hij al evenveel verstand, inzicht en wijsheid te bezitten als de goden. Koning Nebukadnessar, uw vader, heeft hem benoemd tot hoofd van de magiërs, bezweerders, Chaldeeën en waarzeggers – uw vader, majesteit! Deze Daniël, die door de koning Beltesassar werd genoemd, beschikt over een buitengewone begaafdheid, en over kennis en verstand, waardoor hij dromen kan uitleggen, raadsels kan oplossen en knopen ontwarren. Ontbied daarom Daniël, hij zal u vertellen wat er staat.’
Vervolgens werd Daniël voor de koning geleid. De koning zei tegen hem: ‘Dus u bent Daniël, een van de Judese ballingen die de koning, mijn vader, uit Juda heeft weggevoerd? Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont, en dat u over veel verstand, inzicht en wijsheid beschikt. De wijzen en bezweerders zijn bij mij gebracht om deze tekens te lezen en mij te vertellen wat er staat. Maar zij kunnen mij niet zeggen wat de woorden betekenen. Ik heb over u gehoord dat u duidingen kunt geven en knopen ontwarren. Welnu, als u de tekens kunt lezen en mij kunt zeggen wat er staat, zult u in purper gekleed worden, een gouden keten om uw hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’
Daniël antwoordde de koning: ‘U mag uw kostbare geschenken houden, of ze aan een ander geven. Maar ik zal de tekens voor de koning lezen en hem zeggen wat er staat. Majesteit, uw vader Nebukadnessar heeft van God, de Allerhoogste, koninklijke macht, aanzien, eer en majesteit gekregen, en vanwege zijn van God gegeven grootheid beefden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, van ontzag voor hem. Hij doodde wie hij wilde en liet leven wie hij wilde. Hij verhief wie hij wilde en vernederde wie hij wilde. Maar toen hij hooghartig en overmoedig werd, is hij van zijn koningstroon gestoten en is zijn eer hem ontnomen. Hij werd door de mensen verstoten, hij kreeg het hart van een dier en hij leefde onder de wilde ezels. Hij at gras als de runderen en zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, totdat hij erkende dat God, de Allerhoogste, boven het koningschap van de mensen staat en dat Hij alleen bepaalt aan wie Hij het verleent. En hoewel u dit alles wist, bent u, zijn zoon Belsassar, niet nederig gebleven. U hebt uzelf boven de Heer van de hemel verheven. U hebt de bekers laten halen die uit zijn tempel afkomstig zijn, en u en uw machthebbers, uw hoofdvrouwen en bijvrouwen, hebben er wijn uit gedronken. U hebt uw goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen geprezen, goden die niets zien of horen of weten. Maar de God die beschikt over uw levensadem en die al uw doen en laten bepaalt, hebt u niet verheerlijkt. Daarom heeft Hij die hand gezonden en de tekens laten opschrijven. Dit is wat er geschreven staat: Menee, menee, tekeel en parsien. En dit is wat die woorden betekenen: menee – God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; tekeel – u bent gewogen en te licht bevonden; perees – uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven.’
Toen gaf Belsassar bevel Daniël in purper te kleden en hem een gouden keten om de hals te hangen, en hij liet afkondigen dat Daniël als derde in rang zou regeren over het koninkrijk. Diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood.
Hoofdstuk 6: Daniël in de leeuwenkuil.
Darius de Mediër laat zich verleiden gebed te verbieden. Daniël trekt zich hier niets van aan en wordt in de leeuwenkuil gegooid. De leeuwen doen Daniël echter niets, omdat God een engel stuurt die hem beschermt.
Deel 2 - Daniël 7:1 - 12:13
Door dit tweede in het Aramees geschreven deel van het boek wordt Daniël gerekend tot het genre apocalyptiek, waartoe ook bijvoorbeeld de Openbaring van Johannes uit het Tweede Testament behoort.
Hoofdstuk 7: Het visioen van de vier dieren.
Vier wereldrijken, culminerend in de beschrijving van het oordeel door de Mensenzoon (NBV21 omschrijft deze term: iemand die eruitzag als een mens).
Hoofdstuk 8: Het visioen van de ram en de geitenbok.
Hoofdstuk 9: Openbaring aan Daniël over de zeventig weken.
Daniël krijgt inzicht hoe de tijd zal verlopen. Er is sprake van een 'gezalfde' (messias), die zal worden vermoord.
Hoofdstuk 10-12: De eindtijd
Deel 3 - Daniël A - C
Er zijn twee Griekse vertalingen van het boek Daniël in omloop: de Septuagint en de vertaling van Theodotion. In beide versies zijn drie hoofdstukken toegevoegd, maar de tekst verschilt op onderdelen. Ook verschilt de plaats waar de drie toevoegingen in het boek zijn opgenomen. Deze toevoegingen zijn in de NBV21 opgenomen - geletterd A, B en C - bij de zogenaamde deuterocanonieke boeken.
Hoofdstuk A (of Daniël 3:24-100): Het gebed van Azarja
In Babylon woonde een man die Jojakim heette. Hij was getrouwd met Susanna, de dochter van Chilkia. Zij was een bijzonder mooie vrouw en had ontzag voor de Heer. Haar ouders waren rechtschapen en hadden hun dochter opgevoed volgens de wet van Mozes. Jojakim was een vermogend man. Hij had een tuin naast zijn huis en daar vergaderden de Joden, want hij genoot het meeste aanzien van iedereen.
Nu waren er dat jaar twee volksoudsten als rechters aangesteld, van wie gold wat de Heer gezegd heeft: ‘Wetteloosheid is uitgegaan van Babylon, van de oudsten, die rechters waren en geacht werden het volk te besturen.’ Zij brachten veel tijd bij Jojakim door, en iedereen die een geschil had ging naar hen toe. Als tegen de middag het volk was weggegaan, ging Susanna in de tuin van haar man wandelen. Elke dag zagen de twee oudsten haar daar binnenkomen en rondwandelen, en ze gingen haar steeds meer begeren. Ze luisterden niet naar hun verstand en keken niet meer op naar de hemel; ze vergaten dat er ook over hen rechtvaardig geoordeeld zou worden. Allebei waren ze ziek van verlangen naar haar, maar ze vertelden het elkaar niet omdat ze zich ervoor schaamden dat ze gemeenschap met haar wilden hebben. Dag na dag probeerden ze haar te zien te krijgen.
Op een dag zei de een tegen de ander: ‘Laten we naar huis gaan, het is etenstijd,’ en ze liepen ieder een andere kant op. Maar na een omweg kwamen ze allebei op dezelfde plaats terug, en toen ze elkaar vroegen waarom, bekenden ze elkaar hun verlangen. Samen overlegden ze welk moment geschikt zou zijn om haar alleen aan te treffen. Op zekere dag, terwijl de mannen in afwachting waren van een gunstig moment, kwam Susanna de tuin binnen met twee dienaressen, zoals ze gewend was. Ze verlangde ernaar te baden, want het was warm. Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen om haar te begluren. Ze zei tegen de dienaressen: ‘Ga olie en balsems voor mij halen en sluit de poort van de tuin, dan kan ik een bad nemen.’ Ze deden wat zij vroeg; ze sloten de poort van de tuin en verdwenen door de zijingang om het gevraagde te halen, zonder de oudsten die zich daar verscholen hadden op te merken. Zodra de dienaressen weg waren, kwamen de twee oudsten tevoorschijn en liepen snel op haar af. Ze zeiden: ‘De poort van de tuin is dicht en niemand kan ons zien. We worden verteerd door verlangen naar jou. Doe wat wij je vragen en heb gemeenschap met ons. Anders zullen we tegen jou getuigen en zeggen dat er een jongeman bij je was en dat je daarom je dienaressen hebt weggestuurd.’ Susanna kreeg het benauwd en zei: ‘Ik kan geen kant op, want als ik aan u toegeef betekent dat mijn dood, en als ik het niet doe ben ik aan u overgeleverd. Toch doe ik het niet. Ik val liever in uw handen dan dat ik tegen de Heer zondig.’ En Susanna begon luid te roepen, maar de twee oudsten overstemden haar. Een van hen liep naar de poort van de tuin en maakte die open. Toen de dienaren in het huis het geroep in de tuin hoorden, renden ze door de zijingang de tuin in om te zien wat er met Susanna was gebeurd. Toen de oudsten hun verhaal hadden gedaan, schaamden de dienaren zich diep, want zoiets hadden ze nog nooit over Susanna gehoord.
De volgende dag, toen het volk bij haar man Jojakim bijeenkwam, waren daar ook de twee oudsten, die hun misdadige plan om Susanna te doden ten uitvoer wilden brengen. Ze zeiden waar iedereen bij stond: ‘Laat Susanna halen, de dochter van Chilkia, de vrouw van Jojakim.’ En zo gebeurde het. Ze kwam, samen met haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Susanna was een buitengewoon bevallige en mooie vrouw. De schoften bevalen haar te ontsluieren – ze was immers gesluierd – om zich in haar schoonheid te verlustigen. Maar de mensen in haar gezelschap, en allen die haar zagen, moesten huilen. Te midden van het volk stonden de twee oudsten op en legden hun handen op haar hoofd. Huilend keek Susanna op naar de hemel, want in haar hart vertrouwde ze op de Heer. De oudsten zeiden: ‘Terwijl wij alleen in de tuin wandelden, kwam deze vrouw met twee dienstmeisjes binnen, sloot de poort van de tuin en stuurde de meisjes weg. Toen kwam er een jongeman naar haar toe die zich verborgen had gehouden, en hij ging bij haar liggen. Vanuit een hoek van de tuin zagen wij dat misdadige gedrag en wij haastten ons erheen. We zagen dat ze gemeenschap hadden, maar konden hem niet overmeesteren omdat hij sterker was dan wij en door de poort naar buiten vluchtte. Toen hebben we haar gegrepen en haar gevraagd wie die jongeman was. Zij wilde het ons niet zeggen. Dit is ons getuigenis.’ En de vergadering geloofde hen omdat ze volksoudsten en rechters waren, en Susanna werd ter dood veroordeeld. Daarop riep zij met luide stem: ‘Eeuwige God, U die het verborgene kent en alles weet voordat het gebeurt, U weet dat zij mij vals beschuldigd hebben. Ik moet sterven, hoewel ik niets gedaan heb van alles waar zij mij van betichten.’ En de Heer hoorde haar.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, wekte God het heilige vuur in een jongen die Daniël heette. Hij riep luid: ‘Ik maak mij niet schuldig aan haar bloed.’ Het hele volk keerde zich naar hem toe en zei: ‘Wat bedoel je daarmee?’ Hij ging in hun midden staan en zei: ‘Bent u wel bij zinnen, zonen en dochters van Israël? Veroordeelt u een dochter van Israël zonder ondervraging, zonder kennis van de feiten? Ga terug naar de vergaderplaats, want ze hebben haar vals beschuldigd.’ Het hele volk ging haastig terug. De oudsten zeiden tegen Daniël: ‘Kom bij ons zitten en zeg wat je te zeggen hebt, want God heeft je de wijsheid van een oudere man gegeven.’ En Daniël zei: ‘Zet de twee rechters ver uit elkaar, dan zal ik hen ondervragen.’ Toen ze uit elkaar gezet waren, riep hij eerst de een bij zich en zei: ‘U bent in slechtheid oud geworden, maar nu komen ook uw eerdere zonden aan het licht. U hebt onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen veroordeeld en schuldigen vrijgesproken, terwijl de Heer zegt: “Breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood.” Als u deze vrouw werkelijk gezien hebt, zeg ons dan: bij welke boom hebt u hen met elkaar gezien?’ Hij antwoordde: ‘Bij die gevelde boom.’ Daniël zei: ‘Mooi! Met die leugen hebt u uw eigen straf bepaald, want Gods engel heeft van God al bevel gekregen u te vellen.’ Hij stuurde hem weg en liet de ander voorleiden. Tegen hem zei hij: ‘Een nakomeling van Kanaän bent u, niet van Juda! Schoonheid heeft u misleid, begeerte uw hart verdorven. Zo hebt u de dochters van Israël behandeld, en uit angst hadden zij gemeenschap met u. Maar deze dochter van Juda heeft zich tegen uw wetteloosheid verzet. Nu dan, zeg mij: bij welke boom hebt u hen met elkaar betrapt?’ En hij zei: ‘Bij die gekliefde boom.’ Toen zei Daniël: ‘Mooi! Ook uw leugen keert zich tegen u, want Gods engel staat al klaar met een zwaard om u te doorklieven. Hij vernietigt u beiden.’ Hierop begonnen alle aanwezigen luid te juichen en God te prijzen, die redt wie op Hem vertrouwt. Ze verdrongen zich om de twee oudsten, die Daniël op grond van hun eigen woorden als valse getuigen had ontmaskerd. Zoals de wet van Mozes gebiedt, deden ze met hen wat zij een ander hadden willen aandoen: ze brachten hen ter dood. Zo werd die dag onschuldig bloed gered. Chilkia en zijn vrouw prezen God omwille van hun dochter Susanna, samen met haar man Jojakim en al hun verwanten, omdat gebleken was dat zij niets schandelijks had gedaan. En vanaf die dag genoot Daniël veel aanzien bij het volk.
Hoofdstuk C (of Daniël 14): Daniël en Bel en Daniël en de draak
Toen koning Astyages met zijn voorouders verenigd was, nam Cyrus de Pers het koningschap van hem over. Daniël was een vertrouweling van de koning, en van alle hovelingen genoot hij het meeste aanzien.
De Babyloniërs hadden een afgod die Bel heette. Elke dag werden er twaalf mud tarwebloem, veertig schapen en zes metrete wijn voor hem neergelegd. Ook de koning vereerde hem, en hij ging iedere dag naar hem toe om hem te aanbidden. Maar Daniël aanbad zijn eigen God. Dus vroeg de koning hem: ‘Waar-om aanbidt u Bel niet?’ Daniël antwoordde: ‘Ik vereer geen afgodsbeeld dat door mensenhanden is ge-maakt, maar de levende God, die de hemel en de aarde geschapen heeft en heerser is over al wat leeft.’ ‘Wilt u soms beweren dat Bel geen levende god is?’ vroeg de koning. ‘Ziet u niet hoeveel hij elke dag eet en drinkt?’ Daniël lachte en zei: ‘Laat u niet misleiden, majesteit. Vanbinnen is hij van leem en vanbuiten van brons, en hij heeft nog nooit iets gegeten of gedronken.’ Woedend riep de koning zijn priesters bij zich en zei tegen hen: ‘Als u mij niet vertelt wie het voedsel opeet, laat ik u doden. Maar toont u aan dat Bel alles opeet, dan wordt Daniël gedood omdat hij Bel belasterd heeft.’ ‘Uw woord is wet,’ zei Daniël tegen de koning.
Bel had zeventig priesters, die ook vrouwen en kinderen hadden. De koning ging samen met Daniël naar de tempel van Bel. Daar zeiden de priesters van Bel: ‘Wij gaan nu naar buiten. Wilt u, majesteit, het voed-sel neerleggen, de wijn mengen en neerzetten, de deur sluiten en die met uw ring verzegelen? Als u hier morgenvroeg komt en u ziet dat Bel niet alles heeft opgegeten, mag u ons doden. Maar anders moet Daniël sterven, omdat hij leugens over ons heeft verspreid.’ Ze konden dat gemakkelijk zeggen, want onder de offertafel hadden ze een geheime ingang gemaakt, waardoor ze steeds naar binnen kwamen om het voed-sel op te eten. Toen ze naar buiten waren gegaan, legde de koning het voedsel voor Bel neer. Daniël riep zijn dienaren, die as meebrachten. Hiermee bestrooiden ze de hele tempelvloer, terwijl alleen de koning nog aanwezig was. Daarna verlieten ze de tempel, sloten de deur achter zich, verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg. Die nacht kwamen de priesters zoals altijd, samen met hun vrouwen en kin-deren, en aten en dronken alles op.
De volgende ochtend stonden de koning en Daniël vroeg op. ‘Zijn de zegels niet verbroken, Daniël?’ vroeg de koning. En hij antwoordde: ‘Ze zijn niet verbroken, majesteit.’ Zodra de deur geopend was en de koning de tafel zag, riep hij luid: ‘U bent groot, Bel, er schuilt niet het minste bedrog in u!’ Maar Daniël lachte en hield de koning tegen om te voorkomen dat hij naar binnen ging. ‘Kijkt u eens naar de vloer,’ zei hij toen, ‘en bedenkt u eens van wie die voetsporen kunnen zijn.’ De koning zei: ‘Ik zie voetsporen van mannen, vrouwen en kinderen.’ Hij werd razend en nam de priesters en hun vrouwen en kinderen gevan-gen. Zij lieten hem de geheime deur zien waardoor ze steeds naar binnen waren gekomen om alles wat op de tafel gelegd was op te eten. Daarop bracht de koning hen ter dood. Bel droeg hij over aan Daniël, die niet alleen het beeld maar ook de hele tempel neerhaalde.
De Babyloniërs vereerden ook nog een grote draak. De koning zei tegen Daniël: ‘U kunt toch niet beweren dat dit geen levende god is? Aanbid hem dus.’ Maar Daniël zei: ‘Ik aanbid de Heer, mijn God, want Hij is een levende God. Als u mij toestemming geeft, majesteit, zal ik de draak zonder zwaard of stok doden.’ De koning antwoordde: ‘U hebt mijn toestemming.’ Daniël maakte een mengsel van teer, vet en haren, kookte het en vormde er koeken van, die hij in de bek van de draak gooide. De draak slikte ze door en zijn buik barstte open. Daniël zei: ‘Kijkt u nu eens wat u hebt vereerd.’
Toen de Babyloniërs hiervan hoorden, waren ze zo verontwaardigd dat ze zich tegen de koning keerden. ‘Onze koning is een Jood geworden!’ zeiden ze. ‘Hij heeft Bel vernietigd, de draak gedood en de priesters vermoord.’ Ze gingen naar de koning en zeiden: ‘Lever Daniël aan ons uit, anders doden we u en uw familie.’ Door dat dreigement was de koning wel gedwongen Daniël aan hen uit te leveren. Ze wierpen Daniël in de leeuwenkuil, waar hij zes dagen bleef. In de kuil zaten zeven leeuwen, die elke dag twee mensen en twee schapen te eten kregen. Maar nu kregen ze niets, zodat ze Daniël zeker zouden opeten.
In Judea leefde in die tijd de profeet Habakuk. Hij had soep gekookt en brood in een kom verkruimeld en wilde net naar het veld gaan om het eten naar de maaiers te brengen, toen een engel van de Heer tegen hem zei: ‘Breng het maal dat je daar hebt naar Babylon, naar Daniël in de leeuwenkuil.’ ‘Heer, ik ben nog nooit in Babylon geweest,’ zei Habakuk, ‘en waar die kuil is weet ik niet.’ De engel van de Heer pakte hem bij zijn haren beet en droeg hem in een zucht naar Babylon, waar hij hem aan de rand van de kuil neerzette. ‘Daniël, Daniël,’ riep Habakuk, ‘hier is het maal dat God je heeft gezonden.’ En Daniël zei: ‘U hebt dus aan mij gedacht, God. U laat wie U liefhebben nooit in de steek.’ Daniël stond op en begon te eten. Habakuk werd door de engel van God onmiddellijk weer teruggebracht naar zijn woonplaats.
Op de zevende dag kwam de koning om over Daniël te rouwen. Hij liep naar de kuil, keek erin en zag Daniël zitten. Hij juichte: ‘Groot bent U, Heer, God van Daniël! Er is geen andere god dan U.’ Hij liet Daniël uit de kuil halen en degenen die zijn ondergang hadden willen bewerkstelligen liet hij erin gooien, en zij werden onmiddellijk, pal voor zijn ogen, verslonden.