Paul Verheijen

JOHANNES DE DOPER

Bijbelse versie

De evangelist Lucas vertelt over de aankondiging van Johannes' geboorte, de geboorte zelf en naamgeving die volgens hem plaatsvinden door bijzondere ingrepen van God (Lucas 1).
Johannes de Doper was volgens Lucas de zoon van Elisabet en de priester Zacharias.
Hij wordt in de geschriften van het Tweede Testament voorgesteld als ‘wegbereider’ van Jezus.
Dat is ook in de kerken van het Oosten zijn naam: ho prodromos, 'de voorloper'.
Met zijn ascetische kleding en voeding (sprinkhanen en honing) en indringende boodschap werd hij een opvallende figuur in en buiten de woestijn van Juda (Matteüs 3,4 en Lucas 1,80).
Bij de Jordaan riep hij in krachtige maar humane bewoordingen op tot bekering en tot de doop als teken daarvan (Lucas 3,10-14).
De eindtijd naderde immers: de bijl lag al aan de wortel van de boom (Matteü 3,10).
Daarnaast wees hij op de komst van iemand die belangrijker zou zijn dan hijzelf en die in plaats van met water met vuur zou dopen (Matteüs 3,11-12).

Johannes' executie wordt in verband gebracht met het huwelijk van Herodes en Herodias.
Johannes had daar kritiek op geuit, hoogstwaarschijnlijk in verband met het zogenaamde leviraats- of zwagerhuwelijk.
Dat hield in dat wanneer een vrouw kinderloos weduwe werd, de broer van haar man met haar diende te huwen om nageslacht veilig te stellen (zie Deuteronomium 25,5-10).
De kritiek van Johannes op Herodes was, dat zijn broer Filippus nog niet was overleden en zijn huwelijk met Herodias dus tamelijk prematuur en als onwettig beschouwd moest worden.
De executie van Johannes wordt ingevuld als een onthoofding na een feestelijk banket, hoewel, volgens Matteüs, Herodes dat uit angst voor het volk in eerste instantie niet durfde.
Het volk hield Johannes voor profeet.
De evangelist Markus is veel positiever over Herodes en meldt dat hij Johannes eigenlijk in bescherming wilde nemen.
Herodias is echter het kwade genius.

Flavius Josephus

De enige bron buiten de bijbel die Johannes de Doper noemt, is de joodse historicus Flavius Josephus.
Johannes de Doper wordt door hem in verband gebracht met een conflict dat ontstond tussen de koning van Petra, Aretas, en Herodes.
Herodes was jarenlang getrouwd met de dochter van Aretas, maar toen Herodes eens logeerde bij zijn halfbroer Filippus, werd hij verliefd op diens vrouw Herodias.
Herodes vroeg haar ten huwelijk en Herodias stemde hiermee in op voorwaarde dat hij zou scheiden van de dochter van koning Aretas.
Aretas werd door zijn dochter op de hoogte gebracht van het beoogde nieuwe huwelijk van Herodes waarop hij een grensoorlog begon tegen hem.
In die oorlog werd het hele leger van Herodes in de pan gehakt, mede als gevolg van infiltratie van Filippus-aanhangers binnen het leger van Herodes.
Sommige joden zagen in deze ondergang van Herodes de hand van God als wraak op de executie die hij had voltrokken aan Johannes de Doper.
Johannes was een goed man. Hij riep de joden op deugdzaam te leven, tegenover elkaar gerechtigheid te betrachten, en eerbied tegenover God, en zich door hem te laten dopen. Het eerste diende vooraf te gaan aan het tweede, want alleen dan was het dopen welgevallig in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaand hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid. Toen de mensen massaal toestroomden en ze, door naar zijn woorden te luisteren, bovenmate opgewonden werden, werd Herodes bang. Hij vreesde dat iemand die over zoveel overredingskracht beschikte, de mensen wel eens tot opstand zou kunnen oproepen. Het leek er namelijk op dat ze in alles zijn raad volgden. Hij vond het veel beter om, voordat er revolutie en ellende van zou komen, zelf het initiatief te nemen en de man te doden dan om pas als het eenmaal zover was in te grijpen. Daar zou hij dan wel eens berouw van kunnen krijgen. Herodes vertrouwde hem niet erg. Dus werd Johannes opgepakt, naar het eerder genoemde fort Machaerus overgebracht, en daar gedood. De joden nu hielden het erop dat het leger ten onder was gegaan omdat God Herodes kwaad had willen doen en dat het een wraakactie was.
(Joodse Geschiedenis, Boek XVIII, 109-119)

Banket-onthoofding

In de eerste eeuw v.Chr. schreef de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius in zijn Ab Urbe Condita minachtend over een zekere consul Flaminius die een drink- en eetgelag organiseerde en daarvoor een courtisane uitnodigde, op wie hij smoorverliefd was.
Tegenover deze beruchte vrouw schiep hij hevig op over de strengheid waarmee hij rechtzaken onderzocht en de velen die hij ter dood had veroordeeld, waarop de vrouw vroeg of ze niet eens zo'n executie mocht meemaken.
Hierop beval de toegeefijke Flaminius een van de veroordeelden naar binnen te brengen en met het zwaard zijn hoofd af te slaan.
Aldus maakte hij van deze executie een schouwspel voor een schaamteloze hoer, aldus Livius.

En wat schrijven Matteüs en Marcus ongeveer een eeuw later?
Op een feest ter ere van Herodes' verjaardag treedt de dochter van Herodias tot zijn groot genoegen op als danseres.
Hij belooft haar alles te schenken wat ze wenst.
Opgestookt door haar moeder Herodias (die het bloed van Johannes natuurlijk wel kon drinken) vraagt ze om het hoofd van Johannes de Doper.
Bedroefd om deze wens willigt Herodes haar wens in om voor zijn gasten geen gezichtsverlies te lijden.
Het hoofd van Johannes wordt vervolgens op een schotel gebracht naar het meisje die het overhandigt aan haar moeder.
Leerlingen van Johannes komen de rest van het lijk halen om het te begraven en brengen Jezus op de hoogte van Johannes' dood.

De evangelist Lucas meldt Johannes' levenseinde slechts summier en fragmentarisch en de vierde evangelist, Johannes, schrijft over Johannes' dood helemaal niets.
* De dochter heeft geen naam, maar Flavius Josephus noemt haar Salome als dochter van Herodias en Philippus.
Zij is in dat geval dus een stiefdochter van .
(Matteüs 14,1-12; Markus 6,14-29; Lucas 3,19-20 en 9,9)

Populaire tradities

Populaire tradities weten zowel van details uit zijn jeugd als van wederwaardigheden met betrekking tot zijn relieken.

Volgens het apokriefe Proto-evangelie van Jacobus uit de tweede eeuw zou de kleine Johannes, evenals de kinderen van Betlehem door Herodes met de dood bedreigd, met zijn moeder naar de woestijn zijn gevlucht.
Toen ze werden achtervolgd door soldaten opende zich een rots, die hun bescherming bood.

Johannes' relieken, door leerlingen in Sebaste (Samaria) begraven, zouden talloze wonderen bewerkt hebben.
Daarom werden ze op bevel van keizer Julianus Apostata (361-63) verbrand, waarna de as over de velden gestrooid werd.
Resten ervan, waaronder de wijsvinger en het hoofd, werden door monniken gevonden.

Drievoudige vinding van het hoofd

Volgens de Legenda Aurea had Herodias het hoofd heimelijk laten begraven in het huis van Herodes in Jeruzalem om te voorkomen dat het samen met Johannes' lichaam begraven zou worden en dan zou kunnen verrijzen.

Eerste vinding
Rond het jaar 452 vonden twee monniken in het voormalige paleis van Herodes het hoofd terug, gewikkeld in zijn kameelharen kleed dat Johannes in de woestijn had gedragen.
Toen zij met het hoofd naar huis terugkeerden werden zij vergezeld door een pottenbakker aan wie zij de ransel toevertrouwden met daarin het hoofd van Johannes.
Op een nacht kreeg hij van Johannes zelf te horen dat hij van beide monniken weg moest vluchten.
De pottenbakker vertrok daarop naar Emesa en hield daar zolang hij leefde het hoofd verborgen in een grot.
Op zijn sterfbed verklapte hij dit geheim aan zijn zus.

Tweede vinding
Na lange tijd ging de heilige monnik Marcellus in de bewuste grot wonen.
Op een nacht droomde hij dat een grote menigte de grot binnenkwam onder psalmgezang en riep: 'Zie, Johannes de Doper is nabij!'
Daarop zag hij Johannes de Doper links en rechts door twee mensen begeleid die naar de menigte toekwam en hen zegende.
Ook Marcellus trad naar voren en viel voor zijn voeten neer, maar Johannes richtte hem op pakte hem bij zijn kin en gaf hem een vredeskus.
Marcellus vroeg hem waar hij vandaan kwam en Johannes antwoordde dat hij van Sebaste kwam, waarop Marcellus wakker werd en zich afvroeg wat deze droom kon betekenen.
In een volgende nacht werd hij in zijn slaap gewekt en zag hij een lichtende ster boven de ingang van de grot.
Hij stond op en wilde de ster aanraken, maar de ster verplaatste zich en Marcellus volgde hem tot de ster stilstond boven de plek waar het hoofd van Johannes lag.
Marcellus groef in de grond en vond een urn met daarin de heilige schat.
Er was een man die dit niet wilde geloven, maar toen hij met zijn hand de urn aanraakte, verdorde die en bleef vastzitten aan de urn.
Op gebed van zijn vrienden liet de urn de hand los, maar die bleef zwak en ziek.
Toen verscheen Johannes aan hem en sprak: 'Wanneer mijn hoofd in de kerk wordt bijgezet, leg dan je hand op de urn, zodat die weer gezond wordt.'
Aldus geschiedde en de hand werd gezond.
Marcellus liet het hoofd vervolgens aan de bisschop van de stad zien die het naar Constantinopel liet vervoeren, maar onderweg bleef de ossenwagen met pech in Chalcedon steken en aldaar werd het hoofd bijgezet.

Derde vinding
Keizer Theodosius wilde het in Chalcedon weghalen en verzocht dat de vrouw die het hoofd onder haar bescherming had.
De keizer vervoerde het hoofd daarop in zijn purperen mantel alsnog naar Constantinopel en bouwde er een mooie kerk voor.
Ten tijde van Pepijn, aldus de Legenda Aurea, werd het hoofd naar Poitiers vervoerd waar door zijn kracht veel doden weer levend werden.

Muzieknoten

Paulus Diaconus schreef in de 9e eeuw een 13 strofen omvattende Latijnse Johannes-hymne, waarvan de eerste strofe luidt:
UT queant laxīs
REsonāre fibrīs
MIra gestōrum
FAmulī tuōrum
SOLve pollūtī
LAbiī reātum
Sāncte Iōhannēs
Opdat de Uwen onbelemmerd zingen met sterke stemmen van Uw grote daden reinig hun lippen van de smet der zonden Heilige Johannes
(Vertaling: Jan Willem Schulte Nordholt)

De muziektheoreticus Guido van Arezzo, die als eerste notenbalk en sleutel hanteerde, koos rond 1030 uit de woorden van deze hymne bij het muziekonderricht die lettergrepen uit de eerste strofe op de bepaalde toonhoogten, die correspondeerden met de opeenvolgende tonen van de toonladder, ‘ut (later do), re, mi, fa, sol, la, si’.
De Legenda Aurea vertelt dat de dichter zijn gedicht schreef toen hij voor een liturgische dienst - net als Johannes' vader Zacharias - zijn stem kwijt was en Johannes' hulp inriep.

Gedenkdagen

Johannes de Doper kent maar liefst zes feest- of herdenkingsdagen:

Johannes & Paulus

De rooms-katholieke kerk herdenkt op 26 juni twee broers als volgt:
Te Rome op de Monte Celio de heilige martelaren Johannes en Paukus, gebroeders. De een was hofmeester, de andere eerste kamerheer van de maagd Constantia, de dochter van keizer Constantinus. Later onder Julianus de Afvallige hebben zij beiden de palm van het martelaarschap door de dood met het zwaard verworven.
Wie zijn deze geheimzinnige Johannes en Paulus?
Historici zijn het er niet over eens: waren het inderdaad twee broers over wie het Roomse Martelaarsboek spreekt, of is hier sprake van de apostel Paulus en Johannes (ofwel de Doper ofwel de Apostel/Evangelist), of zijn het twee andere martelaren die niet onder de Byzantijnse keizer Julianus (van wie niet bekend is dat hij ooit in Rome is geweest en christenen heeft vervolgd), maar onder Diocletianus de dood vonden?
Feit is dit: in Rome staat op de Mons Coelius de titelkerk van Bizantius, later van Pammachius.
Vanaf de zesde eeuw heet zij de basiliek van Santi Giovanni e Paolo, in 1588 werden de relieken van Johannes en Paulus uit de crypte weggenmen en in de bovenkerk geplaatst en tenslotte in 1725 in een porfieren urn bijgezet.
Oorspronkelijk was het gebouw het huis van Bizantius, een welgestelde christen, die er in tijden van vervolgingen christenen liet bijeenkomen.
Dankzij opgravingen in 1887 kon men de ondergrond van deze kerk onderzoeken, waarbij men de vertrekken van het oude Romeinse huis terugvond, de confessio (reliekbewaarplaats), de absis die Pammachius tegen het eind van de vierde eeuw had toegevoegd en fresco's uit de tijd van paus Leo de Grote.

De Legenda Aurea vertelt dat Johannes en Paulus na de dood van Constantia haar geld erfden en dat aan de armen gaven.
Julianus hoorde daarvan en ontbood de beide broers om aan de goden te offeren.
Zij weigerden dat echter omdat Julianus van het christendom weer was overgestapt naar de Romeinse godsdienst.
In zijn toorn liet Julianus hen in hun eigen huis onthoofden door zijn dienaar Terentianus, maar verspreidde het gerucht dat zij in ballingschap waren gezonden.
De door de duivel bezeten zoon van Terentianus schreeuwde in hun huis dat de duivel hem brandde.
Toen Terentianus dat zag bekende hij zijn misdrijf en werd christen, waarop zijn zoon van de duivel werd verlost.

Johannes de Doper wijst op de hier afgebeelde miniatuur uit het getijdenboek van Maria van Gelre naar het lam en staat temidden van beide broers die het onthoofdingszwaard als hun attribuut dragen.